Jemen: bloederig bolwerk van terreur, mannen en qat

Het Militair Museum in de Jemenitische hoofdstad Sana’a heeft een aardige collectie gruwelijke foto’s van executies. Beulen met kromzwaarden maken de veroordeelden af met een steek, laag in de buik omhoog, terwijl omstanders belangstellend toekijken. De foto’s dateren uit de laatste jaren van het Imamaat, de opeenvolging van bloedige imams die in 1962 met een eveneens zeer bloedige revolutie ten einde kwam.

Jemen is nog steeds behoorlijk bloedig. Het regionale filiaal van het terreurnetwerk Al-Qaeda maakt het zuiden onveilig, maar blaast ook in Sana’a van tijd tot tijd regeringsvertegenwoordigers op. De Amerikanen voeren er hun drone-aanvallen uit op Al-Qaeda. In het noorden suddert de rebellie van de zaïditische (shi’itische) Houthi-clan op een laag pit je door. In het zuiden is ook een afscheidingsbeweging actief. Vandaar dat er tegenwoordig nog maar een enkele buitenlandse toerist langs komt.

„Wegens politieke onrust in het gehele land, een verhoogd risico van terroristische aanslagen, een permanent hoog gijzelingsrisico en oplaaiende tribale ongeregeldheden die gepaard kunnen gaan met vuurgevechten, mortieraanvallen en bombardementen worden alle reizen buiten de hoofdstad Sana’a en het eiland Socotra ontraden”, zegt het ministerie van Buitenlandse Zaken. „Alle niet essentiële reizen naar de hoofdstad Sana’a en het eiland Socotra worden ontraden.”

Maar Jemen lokt toch.

In de oude stad van van Sana’a kalken aanhangers van de Houthi’s elke nacht hun leuzen op de muren: ‘Dood aan de Amerikanen, dood aan de joden’. De rebellerende Houthi’s proberen hun terrein ook over de hoofdstad uit te breiden. „We love you”, zeggen voorbijgangers tegen ons. Zonder hoofddoek, mijn rokzoom op mijn knieën, ben ik overduidelijk een westerse bezoeker. Verbaasde peuters buigen zich uit hun buggy’s om naar mijn benen te kijken. Hun moeders, álle vrouwen, zijn zonder uitzondering van top tot teen in het zwart gehuld, alleen een spleetje voor de ogen onbedekt.

Gezien de geweldsomstandigheden is het niet mogelijk over de weg buiten de omgeving van Sana’a te reizen. Officiële toestemming is vereist, en die krijg je niet. Maar Sana’a, een van de oudste permanent bewoonde steden in de wereld, is méér dan de moeite waard. De meeste gebouwen in het doolhof dat de oude stad is zijn honderden jaren oud, en nieuwe gebouwen worden in de oude stijl opgetrokken: zandkleurig met wit-omrande ramen en rasterwerk. De eerste avond aten we er temidden van buurtbewoners geblakerde kebabs en brood dat ter plaatse werd gebakken op een pleintje dat we de dagen erna nooit meer konden terugvinden. De laatste avond aten we voor het contrast in het Japanse restaurant, waar alleen expats elkaar treffen.

Buiten op straat zijn vrouwen zwarte schimmen. Maar er zijn straten waar winkel-na-winkel-na-winkel prachtige avondjurken verkoopt: diepe decolletés, wespentaille, rood, geel, groen, goud met lovertjes. Ze dienen voor bruiloftsfeesten, met alleen vrouwen natuurlijk, waar je zo glinsterend mogelijk voor de dag komt. Ze kosten honderden euro’s en naarmate Jemen verarmt, huren meer vrouwen de jurken.

Op weg naar het spectaculaire paleis Dar al-Hajar, zo dichtbij Sana’a dat je er nog veilig per taxi naar toe kunt, stuiten we op het mannelijk deel van een bruiloft. In dit land zonder toeristen weet je zeker dat het feest niet voor buitenlandse bezoekers is georganiseerd. Twee van de bruidegommen staan te kijken terwijl de derde meedoet aan een traditionele dans met de kromme dolken die zoveel mannen nog dagelijks dragen. De rollen zijn omgekeerd: nu gaan wij op de foto van de hele mannenmenigte, hand-in-hand met de bruidegommen.

Dar al-Hajar is eind 18de eeuw door imam Mansour in en op een rots gebouwd: de vijand kon hij van ver zien aankomen. Nu brengen Jemenieten er hun vrije vrijdag door, natuurlijk allemaal kauwend op hun bal qat-blaadjes, de nationale drug, die je overal op de markt kan krijgen. In Dar al-Hajar hangen notabene foto’s uit het dagelijks leven in Jemen in de jaren dertig en veertig van de Nederlandse diplomaat Daniel van der Meulen, die Jemen bereisde vanuit het Saoedische Jeddah, waar hij consul was.

De ‘Arabische Lente’ heeft ook Jemen bezocht, maar een revolutie is het niet geworden. Sterke man Ali Abdullah Saleh moest na 30 jaar de macht overdragen aan zijn vicepresident, maar zijn portret is overal aangeplakt in de oude stad. Op het Tahrir (vrijheid) plein staan nog steeds de tenten vanwaaruit Salehs aanhangers in 2011 campagne voerden tegen de democratische oppositie, die verderop, bij de universiteit, zijn vertrek eiste. Salehs aanhangers zitten er ook nog, nu om betaling voor hun liefde te eisen. In de tenten bij de universiteit wonen nu de Houthi’s en hun gezworen vijanden van de fundamentalistische Islah-partij. De seculiere oppositie is, ontgoocheld, vertrokken.

Maar wij gaan weg met het vaste voornemen terug te komen.

Redacteur Midden-Oosten