Van hout en zeil tot staal en stoomkracht

Marinemodellenkamer in het Rijks voor 1924 met de William Rex.

Het is wellicht niet het eerste object waar de bezoekers na de heropening in april op af zullen stormen, dit duikbootje uit 1839. Het is van koper en 80 centimeter breed, een schaalmodel van een boot die nooit heeft gevaren. De bovenkant kan omhoog, zodat ook het binnenwerk van het duikbootje zichtbaar wordt. Daar is de centrifugeerpomp te zien waarmee het onder water had moeten blijven. Zelfs het kompas is tot in detail uitgewerkt. Pas zeventig jaar later zou de Nederlandse marine een eerste operationele duikboot te water laten.

Conservator Jeroen van der Vliet is trots op dit schaalmodel. Het is een van de lokkers voor de nieuwe Marinemodellenkamer, die hij drie maanden voor de heropening van het museum al bijna helemaal heeft ingericht. Haast negentig jaar heeft het Rijksmuseum zo’n kamer niet gehad sinds in 1924 de ruimte met schaalmodellen en trofeeën van de nationale zeemacht dicht ging. Het overgrote deel van de objecten verdween naar het depot.

Van de 1.600 objecten zijn straks 250 weer te bewonderen. De oude Marinemodellenkamer was „vol, voller, volst”, zegt Van der Vliet. De wanden hingen vol scheepsmodellen. Van buitgemaakte vlaggen en bijlen en andere trofeeën waren hele kunstwerken gemaakt die naast schilderijen van zeeslagen hingen. De spiegelversiering van de Royal Charles, het Engelse vlaggenschip dat Michiel de Ruyter had buitgemaakt, domineerde de kamer.

Van der Vliet vindt het „geweldig” dat hij de oude Marinemodellenkamer „in ere mag herstellen”, maar stopt de opvolger lang niet zo vol. Hij wil een overzicht bieden van de ontwikkeling van de scheepsbouw, van zeilschepen tot de eerste pantservaartuigen. „De modellen laten de enorme verandering zien waar de marine in de 19de eeuw doorheen moest: van hout en zeil naar staal en stoomkracht, waarbij de technologische ontwikkeling enorm hard ging. De marine had moeite het buitenland bij te benen.”

Het Rijksmuseum kreeg de collectie tussen 1883 en 1889. De marine wist niet meer wat ze ermee aan moest. Niet alleen met de trofeeën die de officieren in de loop der tijden verzamelden, maar vooral met de immense hoeveelheid scheepsmodellen. De werven maakten ze als voorbeeld voor anderen om de schepen ook te kunnen bouwen, „maar ook om de minister te bewegen geld te geven voor de bouw”, zegt Van der Vliet. „Het waren driedimensionale bouwtekeningen, tot in het diepste detail. Zo mooi, dat sommige zelfs op de Wereldtentoonstelling in Parijs zijn getoond.”

En het ging niet alleen om volledige schepen, maar ook om droogdokken of scheepsonderdelen. Van der Vliet toont de ene na de andere foto. Van modellen van vuurtorens, van dwarsdoorsneden van een droogdok, een kombuis („het lijkt wel een poppenhuis”) en van een geschutstoren „waarva je de toren kunt laten draaien en het kanon naar boven en beneden richten”. Bij een ander geschutsmodel: „Je ziet de kardoeskokers en het gereedschap om de loop schoon te maken. Het is zo fijn uitgevoerd allemaal, dat het soms moeilijk is de bezoekers er deelgenoot van te laten maken.”

De allerbelangrijkste pronkstukken, de spiegelversiering en het vier meter lange scheepsmodel William Rex uit 1698, komen niet in de Marinemodellenkamer, maar in de Zeezaal, vlakbij De Nachtwacht, tussen de schilderijen van zeeslagen en het portret van Michiel de Ruyter geschilderd door Ferdinand Bol. De spiegelversiering is wel doelbewust ingezet om aandacht te vestigen op de terugkeer van de Marinemodellenkamer. „Wij krijgen altijd veel bruikleenverzoeken ervoor, maar hebben deze nooit gehonoreerd. Vorig jaar wilden onze Britse collega’s ter gelegenheid van het diamanten jubileum van de koningin en de Olympische Spelen hem weer hebben. Dit keer hebben we het gedaan. Ik heb de marine op mijn beurt een bruikleenverzoek gedaan en zij stelden hun nieuwste schip, de Hr. Ms. Holland, ter beschikking. Prins Willem-Alexander hoorde ervan en wilde het van begin tot eind meemaken”, grijnst Van der Vliet. „Het is de eerste keer sinds 1667 dat de spiegelversiering het land uit is geweest, maar zo konden we de aandacht op onze collectie vestigen.” Ook de banden met de marine zijn door dit avontuur weer sterker aangehaald. „Hun jaarlijkse Admiraalslezing vindt dit jaar in ons museum plaats.”

Vindt bijvoorbeeld het in 2011 heropende Amsterdamse Scheepvaartmuseum de aandacht in het Rijks niet vervelend? „Het is gezonde concurrentie”, zegt Van der Vliet. „We hebben elkaar nodig. We werken samen, we wisselen ook modellen uit. Ook met andere musea. Ik heb onze objecten liever in een ander museum dan in ons depot. Zo staat ons grootste werk, een model van de haven van Hellevoetssluis, in het museum daar. Ik zou het ook wel willen hebben, maar het staat in het museum dat eromheen is gebouwd, prachtig. Er zijn genoeg mooie dingen om hier te laten zien.”

    • Daan van Lent