Terugkeer van de ongrijpbaarheid

God woont sinds een tijdje niet meer op een wolk. Vraag je mensen waarin ze geloven, dan zeggen ze zonder uitzondering hetzelfde. ‘Ik geloof niet meer in een God op een wolk.’ Ergens in de geschiedenis is de wolk uit het geloof verdwenen.

Toch had zij wel een functie. Lange tijd was zij de scheidslijn tussen hemel en aarde. Tussen boven en beneden. En met haar ondoordringbaarheid was zij het teken van de onzichtbaarheid van God. Daalde een goddelijke verschijning op aarde neer, dan had zij een wolk om haar hoofd, een nimbus. Sprak God vanuit de hoogte tot de mensen beneden, dan deed hij dat vermomd als wolk. „Zie, Ik kom tot u in een donkere wolk, opdat het volk kan horen, wanneer Ik met u spreek.”

Het verdwijnen ervan heeft God zichtbaar en tastbaar gemaakt; wat voorheen goddelijk was, is nu gewoon een aspect van de menselijke natuur. Met de wolk is de scherpe scheiding verdwenen tussen boven en beneden.

Zo afdalend deed God wat ook de achttiende-eeuwse adel deed, toen die de bovenetage in zijn huis verliet en op de begane grond ging wonen. Dit was net zo goed een vorm van tastbaarder worden en aardser. Van profanisering en lokalisering. De aristocratie had de natuur ontdekt en eiste van haar architecten openslaande deuren naar de wildheid en de deugdzaamheid van het platteland. Ze wilde terug naar de laag-bij-de-grondsheid van het echte leven.

Ze liet haar kamers zelfs zo snel zakken dat de dienstbodenvertrekken daaronder steeds verder de grond in werden gedreven, totdat die onder het gebouw vandaan floepten en in de zijvleugel schoten. Toen woonden aristocraten en bedienden allemaal tegelijk op de begane grond.

Tegenwoordig trekken ze weer omhoog in de gebouwen. De schoolbesturen wonen niet langer in de scholen, de ziekenhuisbesturen niet langer in de ziekenhuizen, maar ver weg daarvan, in hoge torens. Weg van de natuur, weg van de werkvloer, omhoog omhoog, de Zuidas op, de lucht in, excelsior, steeds hoger.

Nou is het verschil tussen boven en beneden natuurlijk nooit weggeweest. God en de adel daalden weliswaar af, maar er waren ook altijd bewegingen omhoog. Er was de instelling van het supranationale recht, dat hoog boven de landen werd opgehangen. Je had de globalisering en de universalisering van de moraal. De geboorte van de kosmopolieten, die buitenaardse burgers die vanuit hun kosmos af en toe weer op aarde neerdalen om Le Monde te lezen. De telefoon. De televisie. Alles wat doet uitstijgen boven het profane, het particuliere en het plaatselijke.

Omhoog en omlaag: twee eeuwige bewegingen waarover al genoeg is geschreven en gestreden. Maar wat me deze week opeens als nieuw opviel, was de terugkeer van de wolk. De mysterieuze scheiding tussen boven en beneden. Het viel me op doordat mijn hele leven plotseling door raadselachtige oorzaak in de cloud verdween. Ik wilde mijn post beantwoorden, stak mijn hand uit om die tevoorschijn te halen uit de wolk van servers en applicaties boven mijn hoofd – the cloud – en greep mis.

Geen brieven, ik tastte door een dot waterdamp heen in het niets. Ik keek omhoog en daar hing hij. De cloud. Het vreemde ding, zoals de dichter Nijhoff hem in zijn gedicht De wolken noemt; ’t vreemde ding dat met zijn schaduw langs mijn leven streek.

Met de terugkeer van deze wolk, realiseerde ik me, is de ondoordringbaarheid weer terug. Je kunt niet dwars door de wolk heen naar boven kijken, en dus is ook de onzichtbaarheid van de hogere machten weer terug. Er hangen niet simpelweg wat supranationale regels en principes boven ons hoofd die we zelf hebben opgesteld en die ons beschermen en verbinden. Er heersen niet gewoon wat tastbare supranationale instellingen over ons waarop we invloed kunnen uitoefenen als we dat willen. Nee, er hangt een ongrijpbare supermacht in de lucht met mysterieuze bedoelingen die ons begrip ver te boven gaan.

Zuchtend installeerde ik een nieuw brievenprogramma, en prompt werd ik bestookt door boodschappen van Microsoft, die me vertelde dat ik verbonden was met de cloud. Eigenlijk had ik niets anders willen doen dan een brievenbus zetten langs de ouderwetse dorpsweg waaraan ik woon, maar daar overschaduwde mij een lichtende wolk, en zie, een stem uit de wolk zeide dat de contactgegevens en „de status van mijn vrienden” automatisch zouden worden bijgewerkt, zonder dat ik me ook maar ergens hoefde aan te melden.

„Gij doorgrondt en kent mij”, antwoordde ik de supermacht, die ik door de wolk heen niet kon zien. „Gij kent mijn zitten en mijn opstaan, Gij verstaat van verre mijn gedachten; Gij onderzoekt mijn gaan en mijn liggen, met al mijn wegen zijt Gij vertrouwd.” Zonder dat ik er ook maar enige invloed op kon uitoefenen, zou ik voor niemand ooit nog een vreemde zijn; dat was de boodschap die ik cadeau kreeg bij de nieuwe software die ik installeerde.

Het was na veel geploeter een niet onbelangrijke conclusie: de terugkeer van God en Zijn wolk.

Maxim Februari is filosoof en schrijver.

    • Maxim Februari