In een want zijn je vingers nooit alleen

Het is koud en dus tijd voor handschoenen. Filosoof Jan Drost heeft er zes paar. Zijn paar wanten ziet hij als de kroon op zijn filosofie.

Lang, lang geleden, toen ik nog filosofie studeerde, had ik een vriendin. Toen die vriendin en ik onze eerste winter samen meemaakten, maakte zij eveneens kennis met mijn verzameling handschoenen. Het viel haar op dat het er nogal veel waren. Ze vroeg of ik misschien snel koude handen had. Nee, zei ik, dat is het niet. Ik heb winterhanden.

Toen ze vroeg wat dat precies waren, winterhanden, zei ik: „Mijn handen worden niet koud, ze gaan pijn doen.” Waarna ik een kort college gaf over wat je zou kunnen noemen: Een kleine filosofie van mijn zeven paar handschoenen. Daar ik vermoed dat ik niet de enige ben die deze wintermaanden met pijnlijke handen door het leven gaat, wil ik je mijn inzichten niet onthouden. Wie weet heb je er iets aan. Dat zou voor mij een in elk geval hartverwarmende gedachte zijn.

Voor elke fase van de kou heb ik een paar handschoenen, zo legde ik mijn vriendin uit. Zeven paar in totaal. Om precies te zijn: zes paar handschoenen en één paar wanten. Naarmate de kou toeneemt, laat ik dikte en isolerend vermogen van de handschoenen eveneens toenemen. Mijn herfsthandschoenen zijn vrij dun en losjes geweven. Die wissel ik af met een iets dikker paar, aangezien dat waterdicht is en de herfst nogal wat regen meebrengt. Natte vingers in doorweekte handschoenen kunnen flink pijn gaan doen. Het voordeel van waterdichte handschoenen is ook dat ze de wind beter buiten houden. Vorst op zichzelf is zo erg nog niet, maar als daar een gure wind bijkomt, is het alsof je een kachel in de tuin neerzet. Je blijft aan de gang. De wind neemt alle warmte van je mee.

De wanten, die zich helemaal aan het andere einde van het warmtespectrum bevinden, bewaar ik voor het uiterste geval. Daarin blijven je handen het warmst. Maar ik draag ze eigenlijk nooit. Want stel nu dat je besluit dat het uiterste geval is aangebroken, en je draagt de wanten, en de volgende dag blijkt toch nog een uiterster geval te zijn. Dan heb je niets meer achter de hand. Dan ben je weerloos.

Ik heb ook nog een paar legerhandschoenen. Gekregen van de vader van mijn toenmalige vriendin, toen wij na afloop van het kerstdiner nog door de vrieskou moesten. Die legerhandschoenen houden het midden tussen handschoenen en wanten: de duim en de wijsvinger zijn gescheiden, de overige drie vingers zitten samen. Dat is met opzet, zo heb je duim en wijsvinger vrij om een geweer te kunnen bedienen. Maar de overige drie, de achterblijvers in de halve want, wat doen die? Die hebben het warmer, dat is zeker. Maar wat doen ze? Vervelen ze zich?

„Een mens”, zei ik tegen mijn vriendin, „is een dier dat niet genoeg heeft aan zijn eigen huid.” Hoe ze hierop reageerde, weet ik niet meer. Misschien knikte ze. Of rilde ze, naast me voortstappend in de sneeuw.

Toen ik op een ochtend weer eens met pijnlijk rode vingers op de universiteit aankwam, zei ik tegen een medestudent dat ik nu eindelijk weleens wilde weten wat het precies was waar ik last van had, en ik kroop achter de computer en zocht op internet naar een definitie van winterhanden. Dit is wat ik vond.

‘Winterhanden: Afwijking aan de handen, ontstaan door inwerking van koude op plaatsen waar de bloedsomloop niet in staat is het warmteverlies van de huid voldoende aan te vullen.’

Thuis had ik een goedkope medische encyclopedie in de kast staan, waarin ik las: ‘De aandoening komt vooral bij jonge mensen voor.’ En: ‘Ook moet de overgang van kou naar warmte zo klein mogelijk worden gehouden, dus niet direct voor de kachel gaan zitten.’

Ik moest er opeens aan denken dat er mensen waren, jonge en oude, die zich zo wanhopig en tot op het bot verkleumd in de liefde lieten vallen, dat zij zich in hun haast lelijk brandden en het mooie voortijdig doofden door hun geliefde te smoren. Alsof zich in die geliefde het laatste warme ogenblik bevond en de rest van de wereld een ijstijd was.

De wanten zijn de kroon op mijn filosofie. Dat wanten de vingers veel beter warm houden dan handschoenen, zie ik als een belangrijke en verstrekkende ontdekking. Dat komt namelijk doordat het warmer is als de vingers samen zitten. En dat is een waardevol inzicht voor iemand wiens vingers niet koud worden, maar pijn gaan doen. Elke afzonderlijke vinger apart verwarmen, zoals een handschoen doet, werkt slechts tot op zekere hoogte, tot aan een bepaalde koudegrens. Een handschoen bestaat in feite uit vijf eenpersoonsappartementen. In een want daarentegen wonen de vingers samen. Op de duim na dan, die, voor het gehele organisme om te kunnen overleven, een zekere handelingsvrijheid behoeft. Bijvoorbeeld om de handremmen van je fiets te kunnen aantrekken. Of je ergens aan vast te kunnen grijpen om te voorkomen dat je valt.

Wat de winterhanden in het klein overkomt, is in zekere zin vergelijkbaar met wat de individuele mens in zijn geheel overkomt. De wintervinger weerspiegelt de pijn van het individu dat op zichzelf niet bestand is tegen de kou en het isolement. De handschoen is de moderne, hedendaagse oplossing voor die pijn. De ouderwetse want is wat uit de mode is geraakt. Het is de warmte van de want die wij vergeten zijn. Een leefbaar compromis tussen beide lijkt voor velen totnogtoe moeilijk te realiseren.

Het is nu januari. Ik bekijk mijn collectie nog eens en vind onder een mottige sjaal de schuttershandschoenen terug. Rare groene dingen zijn het, die heen en weer slingeren tussen oorlog en verveling. Ook mijn huidige vriendin moet niet veel hebben van mijn legerhandschoenen. Toen ik ze haar een keer liet zien, zei ze dat ze haar een onbehaaglijk gevoel gaven. Reden genoeg om ze niet langer te willen dragen. Niet in haar aanwezigheid, en ook niet als ze er niet is om ze te kunnen zien. Ik kan me in mijn eenzaamheid al meer dan genoeg veroorloven. Ik denk dat ik ze maar eens weggooi. Het wordt tijd.

Jan Drost is schrijver en filosoof

    • Jan Drost