Iedereen wil nu in China zijn

Steeds meer Nederlandse bedrijven vestigen zich in China. Ze willen profiteren van de enorme groei in het land. Worstelen met bureaucratie en corruptie hoort erbij.

Correspondent China

BEIJING. Nederlandse bedrijven in China zijn in meerderheid winstgevend en hebben – ondanks ondoorzichtige regels, bureaucratie en zware concurrentie – plannen om hun activiteiten verder uit te breiden.

Dat blijkt uit in Beijing gepubliceerd onderzoek van de Kamer van Koophandel van de Benelux en de Nederlandse ambassade.

„Vooral door de toename van het aantal Chinese bedrijven wordt het zakenklimaat steeds competitiever. Daar komt bij dat ieder Amerikaans en Europees bedrijf ook in China wil zijn. Maar over het algemeen doen Nederlandse bedrijven het goed”, zegt Jeroen Lamers, hoofd van de economische afdeling van de Nederlandse ambassade en samensteller van het rapport.

Het is een onderzoek naar het wel en wee van 517 „unieke” Nederlandse bedrijven die samen bijna duizend fabrieken en vestigingen hebben. Het geeft voor het eerst een duidelijk beeld van Nederlandse ondernemers in China.

Door het ontbreken van adequaat vergelijkingsmateriaal kan niet precies gezegd worden hoe snel het aantal ondernemingen is gestegen. Maar zeker is in ieder geval dit: „Feit is dat er sprake is van een toename”, zegt Lamers. „Iedereen wil om strategische redenen in China zijn. We zien ook dat de grote spelers hun laboratoria voor toegepast en fundamenteel onderzoek in China uitbreiden. We beginnen pas nu een goed beeld te krijgen.”

In het onderzoek, dat is gebaseerd op een vertrouwelijke enquête onder de Nederlandse ondernemingen, blijkt dat bedrijven die hier al langer dan vier à vijf jaar zijn, beter presteren dan relatieve nieuwkomers. „Starters op de Chinese markt moeten er rekening mee houden dat ze de eerste jaren geen winst zullen boeken”, waarschuwt Lamers.

De grote multinationals als Shell, Philips, DSM en Unilever zijn in China zeer winstgevend en ook de ondernemingen in de agrarische en levensmiddelensectoren doen het goed. Voor bijna tweederde van de bedrijven die meewerkten aan het onderzoek geldt dat hun Chinese activiteiten bijdragen aan de winstgevendheid van de hele onderneming. Volgens Lamers is ook gebleken dat enkele tientallen bedrijven door hun gang naar China nog bestaan – en als zij de stap niet hadden gezet waarschijnlijk over de kop zouden zijn gegaan in de Europese recessie.

Bedrijven in de landbouwsector behoren tot de eerste die zich al in de jaren negentig in China vestigden. Nieuwkomers zijn de creatieve ondernemingen: de ontwerpers en de architecten die zich in meerderheid in Shanghai hebben gevestigd. Voor alle bedrijven geldt dat de Chinese binnenlandse markt en de middenklasse snel groeien. Daardoor ontstaat vraag naar duurdere producten.

„De tijd dat bedrijven alleen in China zijn vanwege de lage lonen is voorbij”, aldus Lamers. In China stijgen de lonen, afhankelijk van de sector, sinds 2007 met 20 tot 40 procent per jaar. China ontwikkelt zich van een lagelonen- naar een middenlonenland.

Met het aantal van 517 bedrijven volgt Nederland Duitsland, dat van alle Europese landen met 5.000 de meeste ondernemingen in China heeft. Bij de Nederlandse bedrijven werken 125.000 Chinezen en 1.500 „expats”. Bij de vijfduizend Duitse bedrijven werken 250.000 Chinezen. Maar vergeleken bij Japan vallen die cijfers in het niet: er zijn 22.000 Japanse bedrijven actief in China, die werk bieden aan 2 miljoen Chinezen. De meeste Nederlandse ondernemingen zijn in China omdat de binnenlandse markt sterk groeit – tegelijkertijd wordt door 40 procent van de bedrijven vanuit China ook de Nederlandse markt bediend.

Nederlandse ondernemers zijn net als hun internationale concurrenten doorgaans zwijgzaam over het zakenklimaat in China. Doordat de deelnemerslijst aan het onderzoek geheim wordt gehouden, gaven zij anoniem enige opening van zaken. Daaruit blijkt dat zij in toenemende mate worstelen met de bureaucratie, met ondoorzichtige en willekeurig toegepaste wetten en voortdurende problemen met het verkrijgen van vergunningen. Uit het onderzoek blijkt niet direct in hoeverre zij te kampen hebben met corruptie bij de Chinese overheid.

Wel zegt Lamers dat „het onderhouden van uitstekende relaties met de overheid steeds belangrijker en lastiger is geworden”. Bij de presentatie aanwezige Nederlandse ondernemers zeiden gisteren – anoniem – dat „het omgaan met corrupte ambtenaren nu eenmaal hoort bij het zakendoen in China. Iedereen heeft daar last van – ook de Chinese ondernemers zelf”.

Problematisch is ook de toepassing van internationaal aanvaarde sociale en milieuregels, omdat Chinese klanten en bedrijven „corporate social responsibility” niet zien als bedrijfsaangelegenheid. Met name voor bedrijven die hun producten weer exporteren naar Europa en de VS is dat een probleem. China is voor Nederlandse bedrijven een strategische markt aan het worden, zegt Lamers op basis van het onderzoek – en ook een markt waar bedrijven de gevolgen van de neergang in Europa kunnen compenseren.