Geen hand voor het slachtoffer

Hulp aan slachtoffers van verkrachting en opsporing van daders is in Utrecht sinds een jaar gebundeld. De aanpak krijgt navolging.

Rustig oranje, levend grijs en offwhite. De vloeren en wanden van de spoedeisende hulp van het Universitair Medisch Centrum Utrecht zijn nadrukkelijk kalmerend van kleur. Hier kunnen slachtoffers van verkrachting zich melden. Gewoon, net als andere bezoekers, aan de balie. Daarna houdt ‘gewoon’ op, en vallen ze onder de zorg van het Centrum voor Seksueel Geweld. In het CSG, dat deze maand een jaar bestaat, werken allerlei specialisten samen in de behandeling van verkrachting, en het onderzoek ernaar.

Zo weet verpleegkundige Gerda van Dunschoten dat ze het slachtoffer geen hand moet geven, om sporen niet in gevaar te brengen. De dienstdoend arts weet dat hij, zolang dat voor het slachtoffer niet gevaarlijk is, de forensisch arts voorrang moet geven voor het verzamelen van sporen. En de psycholoog van het Landelijk Psychotraumacentrum wordt op de hoogte gebracht, zodat die contact kan opnemen met het slachtoffer.

Het CSG is het eerste samenwerkingsverband in zijn soort in Nederland. In Scandinavische landen, Engeland en de VS bestaan rape centres al langer. De kosten waren niet de belangrijkste belemmering: de zorgverzekeraar betaalt de medische behandeling, de politie het forensische deel.

Het centrum is bedoeld om medische en psychische problemen na een verkrachting te voorkomen, en opsporing van daders te verbeteren.

In de regio Utrecht, die dit centrum bestrijkt, behandelt de zedenpolitie ruim 200 verkrachtingszaken per jaar. In ongeveer 50 ervan wordt aangifte gedaan.

Deze 200-plus zaken zijn maar een fractie van het werkelijk aantal verkrachtingen, blijkt steevast uit onderzoek. De vrij algemeen aanvaarde inschatting is dat 12 procent van de vrouwen en 3 procent van de mannen tussen de 17 en 72 ooit verkracht is. In Nederland zijn dat bijna 600.000 vrouwen, en 180.000 mannen.

Deze middag zitten de CSG-medewerkers bijeen om uit te leggen hoe het centrum werkt. Daarmee is een belangrijk voordeel van dit centrum al gegeven. Chef zedenpolitie Hans Berghout, verpleegkundige Van Dunschoten, forensisch arts pediatrie Lonneke van Duurling, kinderarts Elise van de Putte en gezondheidszorgpsycholoog Iva Bicanic werken op één locatie.

En, misschien belangrijker, het slachtoffer hoeft niet steeds opnieuw hetzelfde verhaal te vertellen. Daar zien vrouwen zo tegenop, dat ze dan soms liever geen hulpverlener zien. „In de praktijk blijkt dat ze vaak afhaken als de huisarts ze doorstuurt naar de soa-kliniek en de ggz”, zegt Iva Bicanic, coördinator van het CSG. „Zeker direct na de verkrachting kunnen veel vrouwen het niet aan de verschillende soorten hulp zelf te regelen. Of ze stellen het uit, terwijl de eerste 72 uur juist erg belangrijk zijn.” Dan zijn er nog sporen die voor vervolging van de dader belangrijk zijn. „Dat geldt ook voor het controleren op letsel in het genitale gebied. Dat geneest snel”, zegt forensisch arts Van Duurling. Ook de eerste dosis van de hiv-medicatie die voorkomt dat patiënten geïnfecteerd raken, moet binnen drie etmalen worden ingenomen, net als de morningafterpil.

De dag nadat het slachtoffer zich heeft gemeld, wordt hij of zij gebeld door een in trauma gespecialiseerde psycholoog; gebleken is dat 25 tot 50 procent van de verkrachtingsslachtoffers op enig moment vastloopt. „En we kunnen niet voorspellen wie dat zijn”, zegt psycholoog Bicanic. „Er zijn wel risicofactoren, zoals het meemaken van groepsverkrachting, eerdere misbruikervaringen en heftige initiële stressreacties.” Zij zegt zich niet op te dringen. „We noemen dat watchfull waiting. We geven informatie, beantwoorden vragen, of spreken af elkaar later nog te spreken.”

Samenwerking in het centrum heeft meer voordelen, zegt forensisch arts Van Duurling. „Wij doen dit vaak genoeg om precies te weten hoe we moeten handelen. We schrikken niet snel ergens van. En die trefzekerheid is voor verkrachtingsslachtoffers heel belangrijk. Daardoor voelen ze zich veilig, en serieus bejegend.”

Dat vergroot de bereidheid aangifte te doen, verwacht politiechef Berghout: „Je krijgt weerbaarder slachtoffers, ze houden het langer vol.”

Het is de kunst opsporings- en behandelingstaken strikt te scheiden, zonder elkaar dwars te zitten. Van Dunschoten bijvoorbeeld luistert als een meisje plotseling met details komt, maar ze vraagt niet door en vertelt het ook niet aan de politie. Wel legt ze het meisje uit wat de voordelen kunnen zijn van aangifte doen.

Nu komen de meeste vrouwen nog binnen via de politie. Of de huisarts belt, of een ziekenhuis uit de regio. Psycholoog Bicanic hoopt dat mensen zich ook rechtstreeks bij het centrum gaan melden. Sinds de opening hebben zich 400 mensen gemeld, een kwart binnen een week na de verkrachting. „Er komen er twee per week binnen die belangrijke 72 uur”, zegt Bicanic. „Een goed begin, hoewel het pas het topje van de ijsberg is.”

De aanpak van Utrecht krijgt navolging. Veel andere regio’s hebben het CSG laten weten dat zij ook de zorg aan slachtoffers willen bundelen. Onlangs heeft het CSG van Slachtofferhulp anderhalve ton subsidie gekregen om daarbij te helpen. En om, daarmee, adequate medische en psychische zorg voor slachtoffers en misschien zelfs efficiëntere vervolging in verkrachtingszaken landelijk mogelijk te maken.