Eenzame voorvechter van een vrij internet

Internetactivist Aaron Swartz (26) heeft zelfmoord gepleegd. Hij streed voor vrije toegang tot online informatie. Daarvoor hing hem 35 jaar cel boven het hoofd.

In this Jan. 30, 2009 photo, Internet activist Aaron Swartz poses for a photo in Miami Beach, Fla. Swartz was found dead Friday, Jan. 11, 2013, in his Brooklyn, N.Y., apartment, according to Ellen Borakove, spokeswoman for New York's medical examiner. Swartz, 26, was scheduled to face trial on hacking charges in a few weeks. (AP Photo/The New York Times, Michael Francis McElroy) MANDATORY CREDIT; NYC OUT; MAGS OUT; NO SALES; TV OUT, NO ARCHIVE AP

Redacteur Technologie

AMSTERDAM. In de eerste geschrokken reacties op de dood van internetactivist Aaron Swartz wordt de 26-jarige Amerikaan opgevoerd als iemand die stierf in de strijd voor vrije toegang tot online informatie. Hoewel het te ver gaat om hem als martelaar van het vrije internet op te voeren, werpt zijn dood nieuw licht op de tekortkomingen van de Amerikaanse wetten tegen computercriminaliteit.

Swartz, die afgelopen weekeinde dood in zijn flat werd gevonden, wijdde zijn leven aan het toegankelijk maken van informatie. Hij zocht de controverse, door documenten te downloaden uit gesloten databases. Hij wilde daarmee aantonen dat (onderzoeks)gegevens zo veel mogelijk publiek toegankelijk moeten zijn. Waarom zou je in het digitale tijdperk nog beperkingen hanteren uit analoge decennia?

Dat is de drijfveer van de Open Access-beweging waar Swartz deel van uitmaakte: als onderzoeksresultaten met publiek geld tot stand gekomen zijn, dan moet iedereen ze kunnen bekijken. De Open Access-beweging stamt uit de begintijd van het web: het world wide web begon in 1991 als een dienst om gegevens uit te wisselen tussen wetenschappelijke databases. De grondlegger van het web, Tim Berners-Lee, pleit al jaren voor open standaarden om databases met publieke gegevens gemakkelijker toegankelijk te maken. Tenslotte was dat de droom van het world wide web: hyperlinks die naar elke denkbare vorm van informatie verwijzen.

De praktijk is anders. Aaron Swartz raakte in de problemen toen hij de tekortkomingen probeerde aan te tonen van Jstor (spreek uit: jay stor). Dat is een archief van artikelen uit wetenschappelijke tijdschriften waar je alleen toegang toe hebt als je in dienst bent bij een universiteit, bibliotheek of een museum. Daarvoor betalen universiteiten abonnementsgeld. Individuen betalen per artikel; vaak een fors bedrag.

Er zitten meer restricties aan Jstor. Wetenschappelijke uitgevers maken hun titels niet meteen digitaal beschikbaar. Dat dwingt onderzoekers om ook een abonnement op wetenschappelijke tijdschriften te nemen.

Swartz downloadde miljoenen documenten, onder meer via een laptop die hij in een serverkast verstopte. Jstor besloot geen aanklacht aan te spannen, maar er volgde wel een strafzaak op basis van de Computer Fraud and Abuse ACT (CFAA) uit 1986. Die antihackwet houdt onvoldoende rekening met ‘hacktivisten’ zonder winstbejag, zoals Swartz. Door een opeenstapeling van beschuldigingen liep zijn mogelijke gevangenisstraf op tot 35 jaar.

De strafmaat doet denken aan de buitenproportionele aanklachten tegen mensen die illegaal muziek downloaden. Dat waren meestal civiele zaken. Het is de vraag of een hoge straf voor Swartz ook in hoger beroep stand had gehouden. Er zijn vaker veroordelingen op basis van CFAA afgewezen.

Jstor begon na de Swartz-zaak met gratis abonnementen voor iedereen. Daarbij is de toegang beperkt tot een gedeelte van de database en geldt een restrictie van drie artikelen per twee weken. Niet helemaal maar vrij, maar toch een beetje toegankelijker.

    • Marc Hijink