Dood Swartz benadrukt gebreken antihackwet

De vrijdag overleden internetactivist Aaron Swartz streed voor vrije toegang tot online informatie. Een traditie zo oud als het web zelf.

In de eerste geschrokken reacties op de dood van internetactivist Aaron Swartz wordt de 26-jarige Amerikaan opgevoerd als een man die stierf in de strijd voor vrije toegang tot online informatie. Hoewel het te ver gaat om hem als martelaar van het vrije internet op te voeren, werpt zijn dood opnieuw licht op de tekortkomingen van de Amerikaanse wetten tegen computercriminaliteit.

Swartz, die vrijdag dood in zijn flat werd gevonden, wijdde zijn leven aan het toegankelijk maken van informatie. Hij zocht de controverse, door documenten te downloaden uit gesloten databases. Hij wilde daarmee aantonen dat (onderzoeks)gegevens zo veel mogelijk publiek toegankelijk moeten zijn. Waarom zou je in het digitale tijdperk nog beperkingen hanteren uit analoge decennia?

Dat is de drijfveer van de Open Access-beweging waar Swartz deel van uitmaakte: als onderzoeksresultaten met publiek geld tot stand gekomen zijn, dan moet iedereen ze kunnen bekijken. De Open Access-beweging stamt uit de begintijd van het web: het world wide web begon in 1991 als een dienst om gegevens uit te wisselen tussen wetenschappelijke databases. De grondlegger van het web, Tim Berners-Lee, pleit al jaren voor open standaarden om databases met publieke gegevens gemakkelijker toegankelijk te maken. Tenslotte was dat de droom van het world wide web: hyperlinks die naar elke denkbare vorm van informatie verwijzen.

De praktijk is anders. Aaron Swartz raakte in de problemen toen hij de tekortkomingen probeerde aan te tonen van Jstor (spreek uit: jay stor). Dat is een archief van artikelen uit wetenschappelijke tijdschriften waar je alleen toegang toe hebt als je in dienst bent bij een universiteit, bibliotheek of een museum. Daarvoor betalen universiteiten abonnementsgeld. Individuen betalen per artikel; vaak een fors bedrag.

Er zitten meer restricties aan Jstor. Wetenschappelijke uitgevers maken hun titels niet meteen digitaal beschikbaar. Dat dwingt onderzoekers om ook een abonnement op wetenschappelijke tijdschriften te nemen.

Swartz downloadde miljoenen documenten, onder meer via een laptop die hij in een serverkast verstopte. J-stor besloot geen aanklacht in te dienen, maar er volgde wel een strafzaak op basis van de Computer Fraud and Abuse ACT (CFAA) uit 1986. Die antihackwet houdt onvoldoende rekening met ‘hacktivisten’ zonder winstbejag, zoals Swartz. Door een opeenstapeling van beschuldigingen over inbraak en diefstal liep zijn mogelijke gevangenisstraf op tot 35 jaar.

Burgerlijke ongehoorzaamheid dreigde te worden beoals georganiseerde misdaad beoordeeld. Het is de vraag of een extreem hoge straf voor Swartz in hoger beroep stand had gehouden. De strafmaat doet denken aan de buitenproportionele boetes die de platenindustrie aanvankelijk eiste van individuele downloaders.

Beroemd is de zaak uit 2007 tegen Jammie Thomas-Rasset, een huisvrouw uit Minnesota. De platenindustrie klaagde haar aan omdat liedjes deelde via ruilnetwerk Kazaa. Ze zou aanvankelijk 1,5 miljoen dollar boete voor het delen van 24 liedjes moeten betalen. Na een slepende rechtszaak werd dit bedrag teruggebracht tot 222.000 dollar.

Jstor begon na de Swartz-zaak met gratis abonnementen voor iedereen. Daarbij is de toegang beperkt tot een gedeelte van de database en geldt een restrictie van drie artikelen per twee weken. Afgelopen week werd het gratis gedeelte nog uitgebreid tot 1.200 tijdschriften van 800 uitgevers. Niet helemaal vrij, niet helemaal open. Maar toch een beetje toegankelijker.

    • Marc Hijink