De starpower van John Kerry

Het nieuwe gezicht van de Verenigde Staten in de wereld is een oude bekende. John Kerry gelooft in Amerika als een kracht voor het goede. Van oorlogsheld tot anti-oorlogsactivist tot pleitbezorger van een krachtig Amerikaans internationaal optreden.

8/6/2003 - Littleton, NH, USA : Senator John Kerry (D-MA) campaigning in Littleton NH. He stopped into a music shop and played guitar. (Rick Friedman / Polaris) Rick Friedman/Hollandse Hoogte

Niet veel mensen solliciteren ten overstaan van 20.000 mensen en miljoenen televisiekijkers. John Kerry deed het. Op 6 september, op de Democratische Conventie in Charlotte, North Carolina. Kerry mocht Barack Obama aanprijzen en de Republikein Mitt Romney afbreken. Tegelijk was het de plek waar Kerry voor een groot publiek zijn visie op Amerika’s rol in de wereld kon laten horen. „Een uitzonderlijke natie verdient uitzonderlijk leiderschap”, zei Kerry.

Dat ging over Obama. Maar in de volgestopte zaal begon meteen het gefluister: dit gaat óók over John Kerry zelf. Kerry, gebarend en met luide stem, voerde een sollicitatiemonoloog. Hij viel de Republikeinen aan door juist hún waarde van Amerikaans exceptionalisme te omarmen. Dat is de overtuiging dat Amerika een bijzonder land is, en om die reden een speciale taak in de wereld heeft. Vooral onder Republikeinen is die visie populair. Kerry nam het over: „Wij zijn uitzonderlijk. Niet alleen omdat we zeggen dat we het zijn, maar omdat we uitzonderlijke dingen doen.”

Kerry noemde het einde van de Grote Depressie, de maanlanding, de twee wereldoorlogen, en „het wereldwijd verdedigen van vrijheid”. Daarop volgde zijn punchline: „Vraag maar aan Osama bin Laden of hij beter af is dan vier jaar geleden.”

Het curriculum vitae van John Kerry is te lezen als een lange aanloop naar de baan die hij zo graag wil, en waarvoor Obama hem heeft voorgedragen: minister van Buitenlandse Zaken. Hij is zoon van een diplomaat, opgegroeid in West-Berlijn tijdens de Koude Oorlog, spreekt vijf talen vloeiend, Vietnamveteraan, oud-presidentskandidaat en voorzitter van de Senaatscommissie voor Buitenlandse Zaken. Toch is de aanstaande benoeming van Kerry ook een nederlaag voor president Obama. Hij had VN-ambassadeur Susan Rice op het oog, maar ze haakte af om de affaire-Benghazi (over de beschuldiging dat ze bewust verkeerde informatie gaf over een aanval op het Amerikaanse consulaat in Libië). Kerry was Obama’s tweede keus, waarschijnlijk ook omdat zijn beoogde tweede kabinet al vol blanke mannen zit.

John Kerry is ook persoonlijk gevormd door zijn verleden. In het naoorlogse Berlijn fietste hij eens per ongeluk Oost-Berlijn binnen. Daar leerde hij volgens zijn biograaf Douglas Brinkley dat Amerika vijanden heeft, bij wie een slappe houding niet zal werken. In de jaren zestig kwam daar een les bij. Kerry diende in de Vietnamoorlog als commandant van een kleine rivierboot. Een incident op de Bay Hap-rivier in maart 1969 is bepalend. Kerry’s boot was door een mijn zwaar gehavend, de bemanning werd onder vuur genomen door sluipschutters. Kerry raakte gewond aan zijn arm, maar slaagde erin een luitenant van een ander schip aan boord te tillen. Ook kon hij een schip meeslepen naar veilige haven.

Kerry verdiende in Vietnam drie Purple Hearts en een Zilveren en Bronzen Ster van de Amerikaanse marine. Maar zijn geloof in het nut van de oorlog was verdwenen. Terug in de VS pleitte hij als activist voor het terugtrekken van de troepen, en, breder, het beëindigen van de Amerikaanse invloed in Zuid-Oost Azië. Voor de Senaatscommissie voor Buitenlandse Zaken sprak hij tijdens een hoorzitting in 1971 woorden die hem landelijk bekend zouden maken: „How do you ask a man to be the last man to die for a mistake?” Hoe vraag je iemand de laatste te zijn die sterft voor een vergissing? Een dag later gooide hij zijn onderscheidingen in het openbaar weg.

Biograaf Brinkley en mensen in zijn naaste omgeving wijzen dezer dagen vaak op de complexe ontwikkeling die Kerry in deze jaren doormaakte. Hij werd sceptisch over het voeren van oorlogen zonder duidelijk einddoel, en cynisch over oorlogszuchtige politici. Tegelijkertijd bleef hij ervan overtuigd dat oorlogen soms noodzakelijk zijn. Hoe kritisch hij ook was, een pacifist werd hij nooit. Hij gelooft volgens Brinkley heilig in Amerika’s bijzondere rol in de internationale gemeenschap, en vindt dat de Amerikanen desnoods met geweld de wereld naar eigen inzicht moet verbeteren.

Vietnam zou Kerry’s politieke carrière blijvend bepalen. Toen hij zich in 2004 kandidaat stelde voor het presidentschap, slaagden de Republikeinen erin twijfels te zaaien over zijn prestaties in Vietnam. De formeel onafhankelijke organisatie Swift Boat Veterans for Truth zei dat Kerry zijn prestaties in Vietnam overdreef om politieke munt uit zijn verleden te te slaan. Kerry wist zich niet goed raad met de beschuldiging, en zijn opponent George W. Bush speelde het spel slim mee. Kerry werd afgeschilderd als iemand die voortdurend van mening verandert. Ook over Vietnam was Kerry een ‘flip-flopper’, zeiden prominente Republikeinen als Bob Dole: de ene dag de oorlogsheld uithangen, de andere dag je Purple Hearts weggooien.

Kerry’s campagne werd angstig en defensief. Democraten noemen ‘Kerry 2004’ nog altijd een van de slechtste campagnes in de recente geschiedenis, en een traumatische gebeurtenis voor de partij. Zijn saaie voorkomen werd als zijn grootste probleem gezien. Kerry steekt regelmatig de draak met zijn gebrek aan uitstraling. Men’s Health vroeg Kerry vorige week hoe hij straks jetlags gaat voorkomen. Kerry: „Als ik vlieg, neem ik meestal een slaappil en luister ik naar mijn eigen toespraken op mijn iPod. Ik ben binnen een paar seconden weg.” Zijn houterigheid maakte hem het afgelopen jaar de ideale stand-in voor Mitt Romney tijdens Obama’s oefensessies voor de presidentiële debatten. Kerry en Obama leerden elkaar tijdens deze dagenlange oefeningen goed kennen, al zijn ze (nog) geen hechte vrienden geworden.

Kerry’s presidentskandidatuur was in feite een korte onderbreking van Kerry’s lange carrière als senator namens Massachusetts. In 1985 werd hij voor het eerst gekozen. Sinds 2009 is hij voorzitter van de Commissie voor Buitenlandse Zaken. In de Senaat werkt Kerry vaak samen met Republikeinen.

Hun gemeenschappelijke Vietnamverleden leidde tot innige vriendschappen met Chuck Hagel, de beoogde minister van Defensie, en John McCain. Dankzij deze vriendschappen wist Kerry regelmatig compromissen te sluiten. Hij was, anders dan Obama, aanvankelijk voor de oorlogen in Afghanistan en Irak. Toen hij zag dat de oorlogen nergens toe leidden, werd hij tegenstander.

Hij zal met plezier het einde van de Amerikaanse militaire rol in Afghanistan verdedigen. Volgend jaar moeten vrijwel alle soldaten vertrokken zijn. Kerry gelooft al lang niet meer in de oorlog, en kan beleid uitdragen waar hij achter staat.

Maar Kerry is niet alleen een kind van Vietnam, hij is ook een kind van van de Koude Oorlog. Vaak stelt Kerry zich in de Senaat op als een pragmatische havik. Hij is voor een harde lijn tegen landen die hij als vijandig beschouwt, zoals Iran. Een Iraans atoomwapen is voor hem onacceptabel, en dat kan volgens insiders een reden zijn een oorlog te beginnen. Ook is hij voorstander van de ‘verborgen’ oorlog met onbemande vliegtuigen. In combinatie met John Brennan als beoogd hoofd van de CIA zal deze vorm van oorlogsvoering in landen als Jemen en Pakistan waarschijnlijk opgevoerd worden, ondanks groeiende internationale kritiek op de drone-aanvallen.

Ook dat past in Kerry’s diepgewortelde opvattingen over het Amerikaanse exceptionalisme, de overtuiging dat de VS zich als ‘force for good’ moeten manifesteren.

Rectificaties / gerectificeerd

Correcties & aanvullingen

Bij het artikel over John Kerry, de voorgedragen Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken (14 januari, bijlage De Wereld), stond een foto van John Kerry met de actrice Jane Fonda, die genomen zou zijn tijdens een protest tegen de Vietnam-oorlog. Dit blijkt een gemanipuleerd beeld, gemaakt door anti-Kerry-activisten toen Kerry kandidaat was voor het Amerikaanse presidentschap in 2004. Zij combineerden twee losse foto’s: één van Kerry tijdens een anti-oorlogsprotest, en één van Fonda tijdens een vergelijkbare bijeenkomst. Kerry was een gedecoreerde oorlogsveteraan, Fonda (‘Hanoi Jane’) onder veteranen intens gehaat omdat ze naar Hanoi was gereisd, de hoofdstad van de vijand. Onder meer The New York Times publiceerde de foto en moest naderhand vaststellen dat ze zich om de tuin had laten leiden. De gemanipuleerde foto geldt sindsdien als voorbeeld van ‘dirty campaigning’. Sinds 2004 staat dit beeld in het archief van de krant – maar tot vandaag zonder waarschuwende ‘bijsluiter’ dat het om een manipulatie gaat.