'De bevolking ziet geen opties meer'

Syrië is een ‘tragedie’ voor de bevolking. Het mag absoluut niet weg van de agenda, zegt Yves Daccord van het Internationale Rode Kruis.

De humanitaire situatie in Syrië is dramatisch, zegt Yves Daccord, directeur-generaal van het Internationale Rode Kruis. Even later in het vraaggesprek in Den Haag spreekt hij van een „humanitaire tragedie”: „Het conflict duurt nu 23 maanden en beslaat alle delen van het land. Bedenk wat dat betekent voor de burgers!”

Het Internationale Rode Kruis (ICRC) en zijn lokale zusterorganisatie de Syrische Rode Halve Maan, verlenen vanaf het begin van de oorlog hulp aan de Syrische bevolking. „Het was een functionerend land, of je het regime nu leuk vond of niet. Maar het functioneert helemaal niet meer. Een heleboel werklozen, geen gezondheidssysteem meer, of op zijn best heel wankel. Het geweldsniveau is extreem hoog. En wat het meest demoraliserend voor de bevolking is: ze ziet geen opties. Je moet altijd voorzichtig zijn met vergelijken, maar in Tunesië en Egypte hadden de mensen altijd hoop dat de dag van morgen iets anders zou brengen. Maar in Syrië hebben ze dat niet.”

Het is winter, het is oorlog. Bestaat er een gevaar dat burgers op grote schaal gaan sterven door honger en ziekte?

„Voorzover ik nu weet niet in groten getale. Natuurlijk zijn er bejaarden en heel jonge kinderen die heel kwetsbaar zijn. Maar je kunt het niet vergelijken met Congo en Soedan. Syriërs hebben nog de mogelijkheid hun land te verlaten. Al is dat voor hen natuurlijk een ramp.”

En je eindigt in een kamp waar de toestand niet veel beter is?

„Nee niet veel beter, maar je krijgt wat eten en hulp en veiligheid, dat mag je niet onderschatten.”

De hulporganisaties kunnen bij lange na niet voldoen aan de behoeften van de bevolking. „Wij werken in 82 landen, in de meeste in heel ernstige situaties. Syrië is een van de landen waar de kloof tussen de nood van de burgers en het humanitaire antwoord het grootst is.”

Hij wil de humanitaire situatie niet in cijfers vastleggen. „We moeten heel, heel voorzichtig zijn met de cijfers. Ook met het aantal doden. Wat ik kan bevestigen, is het niveau van het geweld. Op basis van wat we zien in de ziekenhuizen, de gewonden, constateer ik dat we hier zonder enige twijfel te maken hebben met een van de gewelddadigste conflicten van de laatste tijd.”

U zegt dat de Syriërs onvoldoende hulp krijgen. Hoe komt dat?

„De toegang en de veiligheid. We onderhandelen altijd over de mogelijkheid ergens heen te gaan. Wij geloven dat het belangrijk is dat we zelf gaan. We gooien niet hulp naar mensen. Niet alleen om te controleren of hulp goed wordt verspreid. We gaan bijvoorbeeld naar een ziekenhuis in Homs. Dat stelt ons ook in staat met de gewonden te spreken, die ons vertellen wat er met hen is gebeurd. Misschien zeggen ze ook: mijn zoon is gearresteerd, en dan kunnen we mogelijk onze belangrijke beschermende taak verrichten.

„Elke reis vergt dagen van onderhandelingen, zowel met regering als rebellen. De regering is tamelijk georganiseerd – niet altijd perfect – terwijl je aan oppositiekant een heleboel groepen hebt van totaal verschillende aard. Het is niet zo dat als je met leiders in bijvoorbeeld Kairo spreekt, dat de mensen op de grond zullen volgen wat zij hebben besloten. Het is erg frustrerend.”

Werken de regering en de rebellen mee?

„In het algemeen accepteert de regering ons, en dat geldt ook voor de oppositie. Ze zijn bereid met ons te praten. Maar onderhandelingen leiden niet altijd tot concreet resultaat.”

Bent u tevreden over de internationale respons?

„Ik was blij dat de Verenigde Naties aan het begin besloten tot een politiek spoor en een humanitair spoor. Dat was nuttig. Anders is er altijd het risico dat de twee door elkaar heen gaan lopen. En ook over de steun van laten we zeggen de twee kanten van de munt: interessante steun van de Russen, en ook van de Amerikanen. Dit is een nieuwe wereld. Als je over Syrië praat doe je dat niet alleen met het Westen. Maar ook met de Russen, de Chinezen, de Iraniërs.”

In Nederland nam Daccor vorige week deel aan debatten over humanitaire hulp. Dat was zeer relevant, zegt hij: „aan de ene kant zijn de mensen zich ervan bewust dat zich een ramp voltrekt in Syrië. Ze zien dat mensen door de oorlog worden getroffen. Er is mededogen. Aan de andere kant is er het bijna tegenstrijdige gevoel: wat kunnen we doen?”

Maar, zegt hij, als er één boodschap is die hij wil geven, is het dat aandacht voor de oorlog in Syrië „absoluut kritiek” is. „Het ergste voor Syrië zou zijn dat het van de agenda verdwijnt. Werkelijk, het allerergste.”

Hoe dan ook gaat deze oorlog nog een tijd door.

„Er zijn twee scenario’s mogelijk. Een scenario is dat de oorlog doorgaat tot een van de partijen uitgeput is. En dat kan een tijd duren. Scenario B is dat een of twee belangrijke regeringen een oplossing vinden die acceptabel is voor zowel het regime als de oppositie. Maar ik heb het gevoel dat zo’n diplomatieke optie zeven of acht maanden geleden misschien een kans maakte maar dat het nu ingewikkelder ligt omdat mensen aan beide zijden vechten voor hun overleven.”

    • Carolien Roelants