Adopteer ook een vrouw

Illustratie Ank Swinkels

Onlangs heb ik een vrouw geadopteerd. Dat is me zo goed bevallen dat ik het u ook kan aanraden. Zelf adopteerde ik Johanna Corleva (1698-1752). Corleva was vertaalster, samenstelster van een grammatica en de eerste Nederlandse vrouw die een woordenboek maakte. In haar woordenboek, dat in 1741 verscheen, legde zij als eerste het woord vrouwenschennis vast. Zij bleef ongehuwd maar moet redelijk vermogend zijn geweest, want een van haar boeken – die nooit erg bekend zijn geworden – gaf zij uit in eigen beheer.

De adoptie was zo gepiept. Dit kan bij www.1001-vrouwen.nl. Daar roept Els Kloek, een vooraanstaande historica, op om het boek 1001 Vrouwen uit de Nederlandse Geschiedenis te steunen door voor 15, 50, 100 of 500 euro een vrouw uit de Nederlandse geschiedenis te adopteren. Alle biografieën staan of komen online bij vrouwenlexicon.nl. Er komt ook een tentoonstelling.

Er zijn meer dan genoeg interessante vrouwen om te adopteren, maar ik noem er hier een paar die actief zijn geweest op het gebied van taal en letteren. Zo was Maria Strick (1577-1625) in haar tijd een bekende kalligrafe of ‘schoonschrijfster’. In 1606 verscheen haar eerste voorbeeldboek, Toneel der loflijkcke schrijfpen. Om kritiek van mannen voor te zijn, rijmt zij in haar voorwoord, kort samengevat: wie denkt, een vrouwenhand zal makkelijk falen in deze mannelijke kunst, zou zich moeten beheersen. Immers, ook „mannen hebben gebreken / Kan niet een vrouwenhand dwalen in haar streken?”

Anna Maria van Schurman (1607-1678) is al door een instelling geadopteerd, maar er kunnen altijd adoptiefouders bij. Schurman was dichteres, kunstenares en een talenwonder. Zij beheerste Frans, Duits, Engels, Grieks, Latijn, Hebreeuws, Chaldeeuws, Arabisch, Syrisch en Ethiopisch. Op haar 31ste schreef zij Een verhandeling over de geschiktheid van de vrouwelijke geest voor de wetenschap en de letteren. Zelf richtte zij zich sterk op Bijbelstudie.

Sara Roelofs (1627-1693) speelde als tolk in Nieuw-Nederland een belangrijke rol in onderhandelingen met indianen. Zij beheerste de talen van de rivaliserende Mohawks en Mohikanen. Hierdoor had zij soms toegang tot gevoelige informatie. In 1663 redde dit waarschijnlijk velen het leven doordat Roelofs de autoriteiten in Nieuw-Amsterdam tijdig kon informeren over de aanvalsplannen van verscheidene indianenstammen. Overigens behoorden tolken tot de best betaalde werknemers van de West-Indische Compagnie in Nieuw-Nederland. Uit haar testament blijkt dat Roelofs relatief welvarend was: ze liet behalve onroerend goed ook veertig bevers, drie volwassen negerslaven, twee slavenkinderen en een indiaan na.

Trijntje Soldaats (1749-1814), een naaister van eenvoudige afkomst, staat aan de wieg van de oudste Nederlandse sprookjesverzameling. Tussen 1800 en 1804 vertelde zij geregeld oude volksvertellingen aan twee oppaskinderen. Een van hen legde zeventien van die verhaaltjes vast. In de vertellingen van Trijntje Soldaats zijn onder meer varianten te vinden van bekende sprookjes als Klein Duimpje en Blauwbaard.

Petronella Voûte (1804-1877) is alleen al om haar stoere laatste woorden een adoptie waard. Zij was 29 jaar lang directrice van Asyl Steenbeek, het eerste opvangtehuis voor prostituees in Nederland. Zij leed al jaren aan een hartkwaal en was ernstig ziek toen zij in 1877 terugtrad. Toen er op 14 april 1877 brand uitbrak op Steenbeek, lag zij op haar sterfbed. Ze moest in grote haast naar de directeurswoning worden vervoerd. Daar overleed ze op 18 april 1877, 72 jaar oud, met als laatste woorden: „Vreemd eind!”

Taalhistoricus Ewoud Sanders schrijft wekelijks op deze plek over taal.