Valse illusies van vaderlandsliefde bij herdenking van 1813

Werd Nederland tweehonderd jaar geleden werkelijk ‘bevrijd’ van een ‘brute buitenlandse tiran’? Nee, Willem I heerste over een windvaanelite, schrijft Matthijs Lok.

Herdenking van de landing in 1813 op het strand van Scheveningen van de latere Koning Willem I. Deze herdenking vindt plaats op het strand van Katwijk in 1935.;

In haar meest recente troonrede opende de koningin met een verwijzing naar het komende jubileumjaar 2013: de viering van 200 jaar koninkrijk. „Na een uiterst turbulente periode in ons land en overal elders in Europa, werden in 1813 de grondslagen gelegd voor een nieuw staatsbestel. Prins Willem Frederik, de latere koning Willem I, gaf bij zijn aankomst in Scheveningen een proclamatie uit. Daarin sprak hij niet alleen over de herwonnen vrijheid, maar ook over het grote belang van herstel van handel en welvaart. De notabelen die hem kort daarna het landsbestuur aanboden, benadrukten de veerkracht die op dat moment gevraagd werd van de hele samenleving”, aldus de vorstin.

De troonrede sluit hiermee mooi aan bij het bestaande nationale beeld van ‘1813’ als het begin van het moderne Nederland en Willem I als schenker van ‘vrijheid’ aan de Nederlandse bevolking na de ‘turbulente’ periode van de Bataafse republiek (1795-1801) en de napoleontische tijd, die eindigde met de inlijving bij het Napoleontisch Keizerrijk (1810-1813). Dit beeld wordt ook uitgedragen door het nationale comité met bekende Nederlanders dat de herdenkingen overal in het land tussen 2013 en 2015 voorbereidt. Kijk bijvoorbeeld naar de officiële website 200jaarkoninkrijk.nl, met onder meer het volgende sprekende citaat: „We vieren de verworvenheden van 200 jaar onafhankelijkheid en democratisch bestel.”

Het klassieke nationale beeld van 1813 berust evenwel grotendeels op een mythe. Allereerst is het kwalificeren van het aan de bevrijding voorafgaande regime, de periode van de inlijving bij het Napoleontisch Keizerrijk, als een buitenlandse bezettingstijd anachronistisch. Veel leden van de Nederlandse bestuurselite hadden – tot op het hoogste niveau – deelgenomen aan het inlijvingsbestuur. Dit was deels uit pragmatisme, maar ook omdat zij – zoals de president van het keizerlijke gerechtshof Cornelis Felix van Maanen (1769-1846) – dachten dat ze zo de broodnodige hervorming van het Nederlandse bestuurlijke en juridische systeem konden doorvoeren.

In tegenstelling tot de Duitse overheersing van 1940-1945 wilde het Napoleontisch Rijk graag de lokale elites integreren in het rijksbestuur. Vanaf de laagste maire (burgemeester van een gemeente) tot en met de Staatsraad en de Senaat in Parijs waren Nederlanders te vinden – veelal voormalige Bataafse revolutionairen, maar ook gematigde orangisten die zich trouw hadden betoond aan keizer Napoleon.

Na 1813 werd deze grote rol van Nederlandse ambtsdragers in het imperiale bestuur natuurlijk een bron van verlegenheid. De flinke bijdrage aan het inlijvingsbestuur werd verzwegen of vergoelijkt. Met terugwerkende kracht werd het inlijvingsbestuur na 1813 een wrede buitenlandse overheersing door het Corsicaanse monster Napoleon („het bloedzwelgend roversdier”, volgens een pamflet) en zijn wispelturige Fransen, de aloude vijanden.

Voor zover Nederlandse notabelen Napoleon hadden gediend, deden zij dit volgens hun eigen apologieën en de Nederlandse geschiedschrijvers slechts door hun verlangen de brute maatregelen van het ‘Franse bestuur’ zo veel mogelijk te verlichten voor de getroffen Nederlandse bevolking. De hele periode vanaf de Bataafse revolutie tot en met de inlijving werd na 1813 buiten de geschiedenis geplaatst en in de nationale geschiedschrijving getypeerd als de turbulente ‘Franse periode’, alsof deze daar geen deel van uitmaakt.

Daarnaast kunnen vraagtekens gezet worden bij de vaderlandslievende motieven van de hoofdrolspelers tijdens de ‘verlossing van 1813’, prachtig verbeeld in de reliëfs van het monument op het Haagse Plein 1813 en wellicht weer tot leven gewekt in de re-enactments die volgend jaar worden opgevoerd.

Zo is het optreden van de prins en de stadhouderlijke familie zelf tussen 1795 en 1813 allerminst zuiver nationaal Nederlands te noemen. In 1801 had de in ballingschap levende vader van de prins, de laatste stadhouder Willem V (1748-1806), mede onder druk van zijn zoon zijn rechten op de Nederlanden opgegeven, in ruil voor een schadevergoeding. Een terugkeer van de familie naar de Nederlanden leek geen realistisch perspectief meer te zijn. Na een knieval voor Napoleon mocht Willem I in 1802 het Duitse vorstendommetje Fulda besturen, dat hem in 1806 weer afgenomen werd. De prins ging daarna als eenvoudig landjonker zijn bezittingen in Silezië en Posen beheren. Zijn streven in deze periode lijkt vooral te zijn geweest om ergens in Europa een gebied te verkrijgen om te heersen, ongeacht waar dit gebied lag.

Dynastieke belangen prevaleerden bij de latere Willem I duidelijk boven nationale gevoelens. Uiteraard wenste de prins na zijn troonsbestijging in 1813-1815 niet meer herinnerd te worden aan zijn – overigens heel begrijpelijke – pragmatische handelswijze in de periode voor zijn terugkeer in de Nederlanden.

Ook bij grote delen van de Nederlandse bevolking leek de herinnering aan de stadhouderlijke familie in het begin van de negentiende eeuw grotendeels vergeten. De dood van de laatste stadhouder in 1806 ging grotendeels onopgemerkt voorbij. Het ‘gewone volk’ leek zijn Oranjegevoelens vooral te activeren toen het Napoleontisch Keizerrijk, dat in toenemende mate onder druk stond van de militaire nederlagen vanaf 1812, een steeds repressiever karakter begon aan te nemen.

Bovendien kan de houding van het grootste deel van de Nederlandse elite zeker niet gekwalificeerd worden als vaderlandslievend. Uit angst voor een niet geheel onrealistische militaire wederopstanding van het Empire stonden veel leden van de Nederlandse politieke en ambtelijke elite in oktober en november 1813 een ‘systema van neutraliteit’ voor, waarbij geen partij gekozen werd – noch voor Napoleon, noch voor de Prins van Oranje.

De vanuit herdenkingsperspectief ongemakkelijke waarheid is dat de Noord-Nederlandse elite de chaos en plunderingen van het ‘eigen’ volk na het vertrek van de Franse militairen over het algemeen meer vreesde dan het ‘buitenlandse’ inlijvingsregime zelf. Toen de omwenteling onomkeerbaar bleek, dichtten veel gezagsdragers zichzelf uiteraard met terugwerkende kracht een belangrijke rol toe in de ‘nationale bevrijding’.

Onjuist is ook het beeld dat in de nationale geschiedschrijving wordt gegeven aan 1813 als het begin van de moderne Nederlandse staat en monarchie. Willem I kon wat betreft zijn koningschap in belangrijke mate voortbouwen op het voorbeeld van Lodewijk Napoleon (1778-1846), die in opdracht van zijn broer Napoleon I tussen 1806 en 1810 koning van Holland was geweest.

In de pamfletten na 1813 werd Lodewijk spottend de ‘schaduwkoning’ van broer Napoleon genoemd, maar Lodewijk was evenzeer de schaduwkoning van Willem I. Zo maakte Lodewijk het koningschap acceptabel bij de burgers van een land met een lange republikeinse traditie, onder meer door het bezoeken van getroffenen van nationale rampen als watersnoden en buskruitontploffingen – en deze bezoeken te laten optekenen in vele gedichten en afbeeldingen.

Na 1813 zweeg Willem I over de eerste koning van Nederland. Bij zijn bezoek aan Nederland in 1840 kreeg Lodewijk Napoleon geen officiële ontvangst.

Verder is het een mythe dat Willem zijn staat – in woorden van de toenmalige Britse ambassadeur Clancarty – ab ovo (uit het ei), dus uit het niets opbouwde. Al spoedig na zijn terugkeer realiseerde Willem zich dat hij meer gemeen had met de professionele en centralistisch ingestelde voormalige napoleontische dienaren dan met de overgebleven regenten uit de tijd van de oude Republiek. Opvallend is ook de grote continuïteit in het hogere ambtelijk apparaat tussen de ‘wrede buitenlandse inlijving’ en het bevrijde Nederland. Willem I zwaaide de scepter over een koninkrijk van politieke windvanen die zich tussen 1813-1815 op kundige wijze hadden getransformeerd van imperiale dienaren tot vaderlandse ambtsdragers. Zo had tweederde van de Noord-Nederlandse staatsraden tussen 1814 en 1830 een ambt bekleed ten tijde van het Koninkrijk Holland, en de helft tijdens de inlijving. Voor de ministers gold een vergelijkbaar patroon.

De vestiging van de Oranjemonarchie was, kortom, voor een groot deel het werk van de napoleontische bestuurselite. Er ontbreekt mijns inziens dan ook een beeld op het monument op Plein 1813: dat van Cornelis Felix van Maanen als de verpersoonlijking van de bestuurlijke ‘windvanen’ – om in de taal van de tijdgenoten te spreken – en hun belangrijke rol bij de opbouw van het Koninkrijk der Nederlanden.

Een volgend aspect van de vervormde nationale herinnering van 1813 is uiteraard het op de achtergrond plaatsen van de internationale dimensie van de gebeurtenissen van 1813 tot 1815. De Nederlandse provincies vormden in die jaren niet meer dan een zijtoneel van de bredere Europese ontwikkelingen. Zonder de aankomst van de bereden kozakken op het Malieveld in Den Haag had Willem I zijn nationale monarchie niet kunnen vestigen.

Ook zou de landing van de prins en de vestiging van de staat in de Noordelijke Nederlanden in 1814 niet meer worden dan de eerste acte van een proces dat uiteindelijk zou uitmonden in de stichting van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden, een tweetalige staat met Den Haag en Brussel als dubbelhoofdstad.

Dit ‘amalgaam’ was niet alleen ‘opgedrongen’ door de internationale mogendheden, zoals de officiële retoriek het wilde, maar werd welbewust nagestreefd door Willem I cum suis – inclusief aanvankelijk ook door de vader van de Grondwet, Gijsbert Karel van Hogendorp. In weerwil van de retoriek streefde Willem I, zoals gezegd, niet in de eerste plaats nationale, maar dynastieke belangen na.

Niet de landing op Scheveningen op 30 november 1813, maar de slag bij Waterloo op 16, 17 en 18 juli 1815 was de belangrijkste nationale historische gebeurtenis van dit verenigde koninkrijk. Pas na de scheuring van het Koninkrijk in de revolutie van 1830 kreeg de ‘nationale herinnering’ van 1813 een zuiver Noord-Nederlandse inkleuring en zou de Benelux van Willem I achteraf een bizar en tot mislukking gedoemd experiment in de (Nederlandse en Belgische) nationale geschiedenis genoemd worden.

Het officiële herdenkingscomité van 2013 lijkt een nieuwe dimensie te willen toevoegen aan de al gelaagde nationale mythe van 1813. Willem I wordt – bijvoorbeeld op de eerdergenoemde herdenkingswebsite – ook voorgesteld als de brenger van parlementaire democratie en verdediger van de waarden van het democratisch pluralisme. Als Willem I zou weten dat hij tweehonderd jaar later als democraat zou worden neergezet, zou hij zich evenwel omdraaien in zijn graf. Het systeem-Willem I was er juist op gericht de volksinvloed zo veel mogelijk terug te dringen en het landsbestuur over te laten aan ‘bedaarde’ heren van aanzien, bezit en van zedelijk onbesproken gedrag. De Franse terreur had immers voor veel tijdgenoten heel duidelijk gemaakt waar ongebreidelde volksmacht toe kon leiden: anarchie en bloedig despotisme.

De nationale herinnering aan ‘1813’ als een bevrijding van een brute buitenlandse tiran en als het begin van de moderne Nederlandse politieke geschiedenis en democratie berust, samenvattend, op een mythe. In werkelijkheid was de overgang veel chaotischer en rommeliger. Het gedrag van de protagonisten was veel pragmatischer en niet heroïsch te noemen.

Achteraf is de mythe van de ‘nationale bevrijding’ geschapen door eigentijdse historici en publicisten in 1813-1815, met als doel de nieuwe staat van de Oranjevorsten te legitimeren. Deze mythe wordt tot op de dag van vandaag nieuw leven ingeblazen.

Dat een dergelijk beeld onjuist is, wil natuurlijk nog niet zeggen dat het per definitie schadelijk zou zijn. Elk politiek bestel creëert – opzettelijk of ongemerkt – een eigen ‘historisch regime’, om zijn bestaan te rechtvaardigen.

Hiermee is op zich niets mis. Beeldvorming van de nationale vrijheidsstrijd kan ook heel functioneel zijn in het levend houden of maken van een historische interesse in relatief verafgelegen gebeurtenissen . Het op succesvolle wijze bekendmaken van complexe historische gebeurtenissen bij een breder publiek vereist wellicht altijd een bepaalde vereenvoudiging en denken in sterke contrasten.

Als Nederland een volwassen democratie is, moeten er daarentegen ook historici zijn die de ondankbare en misschien ook wat zure taak hebben nationale herinneringen zo veel mogelijk te onderzoeken buiten het nationale kader en ze uiteindelijk ook te onderwerpen aan de kritiek van de wetenschap.

Matthijs Lok is historicus aan de Universiteit van Amsterdam. Hij promoveerde in 2009 op het proefschrift Windvanen. Napoleontische bestuurders in de Nederlandse en Franse Restauratie (1813-1820).

Rectificaties / gerectificeerd

Correcties & aanvullingen

In het artikel Valse illusies van vaderlandsliefde bij herdenking van 1813 (12 januari, Opinie&Debat, pagina 6 en 7) staat dat de Slag bij Waterloo plaatsvond op 16, 17 en 18 juli 1815. Dit moet zijn: 16, 17 en 18 juni 1815.

    • Matthijs Lok