Toneelstukje

G aan we donderdag de wekker zetten om midden in de nacht getuige te zijn van het een-tweetje tussen Oprah Winfrey en Lance Armstrong? Ik zou de lezer de raad willen geven rustig door te snurken, want meer dan een toneelstukje zal het niet worden. De uitzending is niet eens live, wat al verdacht is.

Er wordt gespeculeerd over omvang en substantie van de bekentenissen waarmee de The Boss ons in die negentig minuten televisie zal verrassen. Oprah kennende zal het meer over zijn strijd tegen kanker gaan, de deugden van wilskracht en optimisme, patriottisme in kwade dagen, and all that jazz. Voor de kinderen is er ook een warm woordje.

Maar bekentenissen?

Andy Schleck zegt dat hij er niet in gelooft. Ik sprak wereldkampioen Philippe Gilbert en ook hij schudde het hoofd: „Meer dan een scenario voor Hollywood zal het niet worden.” De laatste idolaten rekenen op een vaag gemompelde sorry voor de afvalligheid van zijn helden- en engelenstatus. Wolkje impliciete deemoed.

Maar niet dat je zegt: nu gaat hij met de billen bloot. Laten we het houden op het nasale gebrabbel waar de paus zo goed in is als het over seksueel misbruik in de kerk gaat. Meer gespeelde verwondering dan spijt.

Armstrong medeslachtoffer van zijn tijd.

De pogingen tot omkoping van het Amerikaanse antidopingagentschap Usada en van de UCI? Ach, een cadeautje ter aanmoediging van de rechtvaardige rechters. Lance is geoefend in de leugen, en dat krijg je na al die jaren van bedrog er niet uit in een televisie-uurtje.

We weten nu dat Bruyneel en Armstrong hulp kregen van een gespecialiseerd Zwitsers lab om epo-testen te leren omzeilen. Ergo: de internationale wielerunie UCI voltooide de voorkennis. En dan zijn er nog de maffiapraktijken van bedreiging en intimidatie waar zelfs Usada-baas Travis Tygart het slachtoffer van was. Ik kan me moeilijk voorstellen dat een mercantiele biechtmoeder als Oprah Winfrey in eindeloze ontferming zal afdalen is deze beerput. Oprah is een vakvrouw, maar toch vooral in het bespelen van sentiment en ressentiment. Het moet een beetje gezellig blijven.

Ik ben de soap Armstrong spuugzat. Dezer dagen stellen de wielerploegen zich voor aan de pers. Nieuwe fietsen, nieuwe tricots, nieuwe renners… Het zorgt bij mij altijd voor enige opwinding. Aan de rand van een esthetische ervaring zelfs. Ploegleiders en renners in blijde verwachting en doorgeschoten ambities. „Ik ga voor het podium in de Tour”, hoor je Jurgen van den Broeck zeggen. Robert Gesink is al even ambitieus. Vermeende kanshebbers voor Milaan-Sanremo stellen zich op in dikke rijen. „Ach, de Poggio: een molshoop.” Die extatische groteske van zelfoverschatting kom je nu zelfs bij knechten tegen.

Mooi is dat, naïeve, zelfbedachte heroïek aan de vooravond van een nieuw seizoen. Onbegrensd verlangen naar succes.

Over goed tien dagen begint de Tour Down Under. Daarmee eindigt voor renners en volgers de stille paniek van de winter. Een kleurenfestival van waaiers en zonnebrillen neemt het over. Ik ervaar het elk jaar weer als vervellen. Een nieuwe huid komt eraan.

Mogen ook daarom de averechtse geschriften van Armstrong worden dichtgeklapt? Zodat de eer ongeschonden gaat naar renners die nog wel op de fiets zitten. Naar de massa’s langs het parcours waar de zachte vreugde van nieuw leven in is gekropen.

Naar een accordeon die speelt.

Het feuilleton over de vervuilde wielersport heeft lang genoeg geduurd. De hypocrisie van bonden en instanties ook. Armstrong met zijn charlataneske litanie van nietszeggendheid bekijkt het maar.

Ik ben toe aan geoliede kuiten, van Lieuwe en Johnny.