Snijden in een tumor om de woorden heen

In een ziekenhuis in Hamburg wordt een wakkere patiënt (niet de patiënt in onderstaand artikel) geopereerd aan zijn hersentumor. Hersenen voelen geen pijn. Wakker opereren heeft als voordeel dat tijdens de operatie de plaats van spraak- en beweeggebieden kan worden bepaald. De chirurg snijdt daar niet. Foto HH

Het zijn twee werelden in één operatiekamer. Gescheiden door een groot operatiedoek. Aan de ene kant hebben twee neurochirurgen en een operatie-assistent zicht op een stukje van de hersenen van Renata Deelen (46). Een lapje van haar hoofdhuid is opgeklapt, een stukje van de schedel – vrijwel bovenop haar hoofd – is uitgezaagd. Net boven de plaats waar in haar hoofd een hersentumor groeide.

Aan de andere kant van het doek is Renata Deelen net weer uit haar ‘roesje’ ontwaakt. Dat slaapmiddel, samen met een plaatselijke verdoving bovenop op haar hoofd was genoeg om probleemloos haar hoofdhuid open te snijden, twee gaatjes in het schedeldak te boren en vervolgens een stukje bot van 5 bij 10 centimeter uit te zagen. Wakker en pratend gaat ze helpen om hersengebieden in haar eigen hoofd te vinden waar de neurochirurgen niet mogen snijden, omdat Deelen ze nodig heeft voor spraak of bewegen. Deelen herhaalt de woorden die neurolinguïst Djaina Satoer voorzegt.

Drielettergrepige woorden. Met steeds de klemtoon op een andere lettergreep. “Om te zorgen dat de patiënt het woord niet op ritme gaat herhalen”, legt Satoer later uit. Anesthesist Markus Klimek kijkt mee. Hij is de vertrouwensman. Klimek heeft voor de operatie uitgebreid met Deelen en haar man gesproken – anderhalf uur is zijn standaard voorafgaand aan zo’n wakkere-hersenoperatie. Hij heeft een filmpje laten zien van net zo’n operatie. “Om de patiënt te laten horen welke geluiden er in de operatiekamer te verwachten zijn”, legt hij later uit.

Nu stelt hij Deelen voortdurend gerust. Hij houdt bij of ze het warm genoeg heeft. Injecteert een bètablokker als ze geëmotioneerd raakt.

Neurochirurg Arnaud Vincent prikkelt aan de andere kant van het doek de zichtbare hersengebiedjes met wat stroom, vanuit een tangetje waarin twee elektroden op een paar millimeter van elkaar zijn gemonteerd.

“Confectie...” “Confectie.”

“Bakkerij...” “Bakkerij.”

In flink tempo herhaalt Renata Deelen wat Djaina Satoer zegt.

“Computer...” “Computer.”

“Kalender...” “Kalender.”

“Wat gebeurde daar?” vraagt Klimek.

“Flexie pols”, meldt Satoer naar de andere kant van het doek. Renata Deelen heeft haar pols even in een verkrampte houding achterover getrokken.

“Ok, nummer drie, flexie pols.” Vincent legt een klein papiertje met cijfer 3 op het stukje waar hij zonet een stroompje doorheen stuurde.

Het is dan kwart over tien, afgelopen maandagochtend. Om acht uur die ochtend was iedereen binnengedruppeld in een van de vele OK’s op de elfde verdieping van het Erasmus MC in Rotterdam. Renata Deelen was de vorige avond naar het ziekenhuis gegaan, om voor de tweede keer aan haar hersentumor te worden geopereerd.

De zaterdag ervoor zegt ze in een telefoongesprek: “Het begon allemaal acht jaar geleden met een epileptische aanval. Achteraf gezien had ik er al veel langer last van. Ik dacht dat het hyperventilatie was.”

Maar het was een hersentumor. “Eerst was het idee om de tumor te laten zitten tot hij meer klachten zou geven. Hij zat dicht bij de spraak- en taalcentra, en bij hersengebieden die de motoriek aansturen. Het gevaar is dan dat de chirurg die beschadigt als hij de tumor weghaalt.”

Dan richt zo’n operatie meer schade aan dan hij voorkomt, legt Deelen uit.

“Op een teambespreking, twee weken later, ontstond het idee om naar neurochirurg Vincent te gaan die hersenoperaties doet terwijl de patiënt wakker is. Dan kan de chirurg tijdens de operatie de gebieden bepalen die hij moet laten zitten.” Die gebiedjes liggen niet bij alle mensen op dezelfde plaats.

Deelen: “Die eerste operatie, in 2005, is heel goed gegaan. Ik heb daarna een lichte dosis anti-epileptica geslikt en de epilepsie is eigenlijk weggebleven. Het voorstel was om me daarna ook te bestralen. Maar ik heb ervoor gekozen dat niet te doen. Dat was mijn eigen angst voor straling. Ik heb wel twee keer chemotherapie gehad. Het is eigenlijk wel vreemd dat ik nooit erg veel last van die tumor heb gehad. Ook als je ziet hoe groot hij nu is.”

De week ervoor heeft ze, voorzichtig, nog geskied.

Deelen maakte een opleiding psychodiagnostiek af. En heeft een baan van anderhalve dag in de week. “Dat is genoeg, hoewel het een heerlijke werkplek is. Ik heb een man en een zoon. We hebben mooie reizen gemaakt. Het was vanaf het begin duidelijk dat die tumor niet weg zou gaan. Je wordt dan heel bewust van de tijd.

“Toen ik weer kleine epileptische aanvallen kreeg – licht trillen van een been, een minuutje later meestal gevolgd door een arm – is er gekeken of een nieuwe operatie mogelijk is.”

Op de OK staan op drie computerschermen MRI-beelden van het binnenste van het hoofd van Renata Deelen. Er is een met vocht gevuld gat, overgebleven van de eerste operatie. Daarnaast zit een even groot donker gekleurd gebied, waar de tumor is doorgegroeid.

Bijna anderhalf uur zijn Arnaud Vincent en collega Joost Schouten bezig met het stimuleren met een stroompje, hun patiënt beoordelen en tumorweefsel weghalen. Halverwege kan Deelen haar vingers wat minder goed bewegen, als Klimek haar vraagt dat te doen. Chirurg Vincent komt kijken aan de andere kant van het doek: “Ik denk dat het door oedeem komt. De hersenen zwellen een beetje op.” Later gaat dat weer veel beter. Deelen krijgt ook een kleine, korte, plaatselijke epileptische aanval. Iedereen stopt. Een minuut of vijf. Vincent sprenkelt royaal ijskoud water in het operatiegebied. Vincent: “Koud water is een wondermiddel tegen epilepsie.”

Even na half twaalf zegt Vincent tegen zijn patiënte: “Renata, we hebben het grootste deel van de tumor er nu wel uit. Je doet het echt heel goed.”

Vanonder het steriele doek klinkt zwak Deelens stem. “Ze vraagt of jullie meer dan 70 procent van de tumor hebben weggehaald”, herhaalt Klimek met luide stem, met een accent dat zijn Duitse herkomst verraadt. Zeventig procent weghalen, dat was het percentage waarboven de operatie zinvol werd gevonden, vertelde Deelen me eerder. Vincent was ook duidelijk geweest dat hij in de buurt van het motorisch gebied wel iets zou moeten laten zitten.

“Er is veel meer weg, Renata. Veel meer dan 90 procent”, antwoordt Vincent. Hij heeft het me net laten zien. Er is een duidelijk verschil tussen de gezonde witte stof waar het tumor zuigapparaatje draden van trekt en het lichtgrauwe tumorweefsel dat zichtbaar weerstand biedt tegen aantasting als het wordt beroerd. Onderin het operatiegat is het blinkend witte corpus callosum te zien, waar zenuwbanen de verbinding tussen linker- en rechterhersenhelft verzorgen.

Deelen belt kort en blij, maar vermoeid, met haar man. En krijgt dan weer een kortwerkend slaapmiddel, waarna de chirurgen het weggehaalde stukje schedel weer terugzetten en de huid terugklappen en hechten.

Dan heft operatieassistent Floor van Ophem de gescheiden werelden voor en achter het doek op. Opeens ligt daar weer mevrouw Deelen, nog wel met haar hoofd in een akelig ogende klem. Ook die wordt weggehaald. De mensen die net aan het snijden en hechten waren, wassen nu bloed, desinfecterende vloeistof en jodiumgel van haar hoofd. Daarna gaat er een tulbandverband omheen. Renata Deelen wordt wakker.