Slapen met sloffen

Ook als je geen telg bent uit een Scandinavisch nomadengeslacht kun je in de sneeuw bivakkeren. Op koudecursus in Zweden.

People Standing By Tents In The Mountains, northern Sweden SCANPIX

Zwetend word ik wakker in mijn tent. Ik doe mijn muts af, trek mijn wollen sloffen uit en rits mijn dikke donzen slaapzak open. Het lijkt alsof ik in de Sahara kampeer en de zon op het doek brandt. Maar ik lig in een tentje in het ijzige noorden van Zweden. Uit angst voor onderkoeling heb ik me zo warm aangekleed dat ik juist oververhit ben geraakt. Snel weg met die warme kruik!

Met een groep van veertig sneeuwkampeerders uit verschillende Europese landen maken we een trektocht door de bergen rond Åre, het grootste skigebied van Scandinavië. We leggen per dag zo’n twintig kilometer af, op langlaufski’s of sneeuwschoenen, een soort tennisrackets voor onder je voeten.’s Avonds eten en slapen we buiten.

We zijn in het gebied van de Sami. De Scandinavische nomaden overleven al negenduizend jaar in dit koude klimaat. Ze trekken mee met hun rendierkuddes, levend van de natuur.

Wij zijn bepaald geen Sami. Het is de derde dag van onze tocht en ik vrees dat we allang waren omgekomen zonder onze voorverpakte maaltijden, geavanceerde buitensportkleding en lichtgewicht wintertenten.

Een nacht eerder gaat het al bijna mis. Na een dag langlaufen en wandelen hebben we ons kamp opgeslagen in een vallei, beschut tegen de harde wind. We graven de tenten in. Het is iets boven nul en we vallen in slaap bij het geluid van striemende regen.

Tot een paar kampeerders wakker worden van de kou. Zaklampen en plastic borden drijven door hun tent. Als ze naar buiten kruipen, zakken ze weg in een ijzige drab. Ze hebben hun tent opgezet op het laagst gelegen punt van de vallei. Door de regen loopt daar nu een riviertje.

Twee van de meest ervaren sneeuwkampeerders, een Duitser en een Zweed, moeten afhaken. Hun kleding is droog gebleven in waterdichte tassen, maar het water druipt uit hun tenten en slaapzakken. Twee Italianen gaan mee terug naar het basiskamp. Ze hebben te weinig eten meegenomen.

Ik denk terug aan de korte introductiecursus die we hebben gekregen voordat we de bergen in trokken. Onze groep heeft de drie basisregels van overleven in de sneeuw geschonden: blijf warm, blijf droog en eet veel. In dit klimaat wordt iedere fout afgestraft.

Gelukkig ben ik door de leiding in een team ingedeeld met Jonas, een ervaren Zweedse bergsporter. Hij zit vol verhalen over schaatsen in sneeuwstormen bij Stockholm en barre bergbeklimmingen in Nepal. Het geeft me vertrouwen dat we deze trip goed zullen doorstaan.

Voor vertrek heeft Jonas me aangeraden om langlaufski’s te huren. De gidsen hebben liever dat deelnemers de tocht lopen op sneeuwschoenen. Minder risico op gebroken botten. Maar glijden op ski’s is veel lichter dan stampen op sneeuwschoenen.

Dat merk ik vooral als het mijn beurt is om de pulkka te trekken, een Scandinavische slee met daarop onze tent, slaapzakken, matjes en tassen vol eten. Als sledehonden trekken Jonas en ik om de beurt dertig kilo achter ons aan. Met ski’s bewegen we veel sneller en lichter dan de wandelaars.

Na de verregende nacht besluiten de gidsen dat we in sneeuwgrotten gaan slapen. Iets boven de boomgrens ligt een perfecte helling waar we holen in kunnen graven. Uit de wind en met stevige sneeuw. Dat is belangrijk voor een solide snöka, zoals de Zweden een sneeuwgrot noemen.

We graven in groepjes van vier. Het gat van de ingang moet zo breed zijn als onze schouders en zo hoog dat we makkelijk naar binnen kunnen. We scheppen een gang van ongeveer een meter de berg in en hakken daarna een koepelvormig hol uit, groot genoeg om allemaal languit in te kunnen slapen.

Het scheppen in de compacte sneeuw is zwaar werk. We wisselen elkaar af. Wie aan het graven is, doet zijn jas en handschoenen uit, wie rust trekt alle laagjes weer aan. Net als bij het langlaufen is het cruciaal om niet te koud te worden én niet te warm. Met natte kleren van het zweet koel je snel af.

In mijn pauze drink ik een kop thee op de richel voor onze grot en kijk uit over de vallei . Een regenboog schijnt tussen de bergen en de zon schittert op de rivier die is gevormd door de regen. Dit is nog eens wat anders dan je dekbed uitspreiden in een Frans chalet.

Na vijf uur scheppen is onze sneeuwgrot af. Voor het eten bekijken we de sneeuwwoningen van anderen. Sommige groepjes hebben er halve villa’s van gemaakt, met nissen voor rugzakken en sneeuwgravures op de wanden.

Eén grot is ingestort. De groep koos een plek met zachte sneeuw. Het graven ging snel, maar toen ze bijna klaar waren, kwam het plafond naar beneden. Nog zo’n les in de sneeuw: haast is zelden goed. Blijf rustig nadenken.

Het begint te schemeren en uit de ingangen van de grotten schijnt het licht van hoofdlampen en kookbrandertjes. Het is net een klein dorpje. Als we langer zouden blijven, fantaseer ik, konden we glijbanen naar het dal bouwen en een café met een bar van sneeuw.

Terug in de grot maken Jonas en ik pasta met pesto uit een zakje. Kokend water erbij, even wachten en klaar. Na een dag sneeuw scheppen smaakt alles goed. Al ruikt de zelfgemaakte boeuf bourguignon van de Zwitserse chef-kok in ons groepje nog beter.

Zoals iedere avond smelten we pannen vol sneeuw en drogen we onze sokken boven de kookpitjes. Om warm te blijven drinken we veel thee en maken we kruiken voor ’s nachts. We vullen ook alvast thermosflessen voor de volgende ochtend. Zodat we meteen warme pap kunnen maken vanuit onze slaapzakken. Je moet de kou voor zijn.

Na een wandelingetje in het donker kruip ik in mijn slaapzak. De kou van de sneeuw komt door mijn matje heen, maar verder is het comfortabel in de sneeuwgrot. Met de juiste kennis – en spullen – kun je bijna overal overleven. Ik denk aan de woorden van de Zweedse boswachter aan het begin van de trip. Wildernis bestaat alleen in je hoofd.

    • Ykje Vriesinga