Naar een vrijhandelszone

Een fluitje van een cent zou het moeten zijn: de onderhandelingen tussen de Verenigde Staten en Europese Unie over een vrijhandelszone. President Obama liet zich eerder in zulke bewoordingen uit. De onderhandelingen zouden, met andere woorden, maar heel kort hoeven te duren.

Dit halfjaar beginnen onder Iers voorzitterschap van de EU hopelijk die gesprekken over, die in 2014 tot een overeenkomst moeten leiden. Een soortgelijk initiatief van de EU met Canada is inmiddels al een flink stuk gevorderd.

Het is en blijft spijtig dat een nieuwe, wereldwijde vrijhandelsovereenkomst niet van de grond komt. De onderhandelingen van de zogenoemde Doha-ronde zijn eind 2001 begonnen en zitten nog steeds muurvast. Zeker niet alleen de VS en de EU zijn hieraan schuldig. Veel van de grootste handelsbarrières zijn die tussen (voormalige) ontwikkelingslanden. Veel van de obstructies van de onderhandelingen kwamen ook daar vandaan.

Op het gevaar af van fragmentatie is in de tussentijd een groot aantal regionale en bilaterale handelsinitiatieven gestart en afgerond. Wat daarbij nog ontbreekt is een daadwerkelijke vrijhandelszone tussen de EU en de VS, als sluitstuk van de Atlantische economische integratie die in de praktijk al sinds de Tweede Wereldoorlog in wording is. Hoewel de onderlinge barrières al veel verder zijn geslecht dan elders in de wereld het geval is, valt er nog veel te winnen.

Er zijn nog grote obstakels te nemen, met name op het gebied van landbouwsubsidies en de acceptatie van genetisch gemodificeerde gewassen. Maar bij een totale onderlinge handel van jaarlijks 700 miljard dollar levert zelfs een marginaal voordeel grote winst op. En, wellicht even belangrijk, het initiatief blaast nieuw leven in de onderlinge verhouding tussen Europa en de Verenigde Staten.

Europa is er, met nog veel magere jaren in het vooruitzicht, klaar voor. Met de voordracht van John Kerry als nieuwe minister van Buitenlandse Zaken en Chuck Hagel als minister van Defensie krijgt de Amerikaanse regering er bovendien twee leden bij die de oriëntatie van het Witte Huis wat kunnen terugschuiven van de Stille naar de Atlantische Oceaan.

Europa kan de economische impuls zelf ook goed gebruiken. De Europese Commissie calculeerde al, voor wat zo’n voorspelling waard is, dat grotere vrijhandel met de VS een economisch voordeel kan opleveren van een half procent van het bruto binnenlands product.

De toenadering op handelsgebied lijkt een andere kwestie op scherp te stellen. Binnenkort houdt de Britse premier Cameron een toespraak waarin hij de positie van het Verenigd Koninkrijk binnen de Europese Unie op scherp zet. De Britse regering verzet zich steeds openlijker tegen de overdracht van bevoegdheden naar ‘Brussel’, zet liever in op het bevorderen van de Europese onderlinge handel en is begonnen aan een kosten-batenanalyse van het lidmaatschap van de EU.

De uitkomst van die exercitie moet de basis vormen voor een referendum over het Britse lidmaatschap, naar verwachting in 2015.

Deze week bezorgde Washington Londen een koude douche. De Amerikaanse onderminister voor Europese Zaken, Philip Gordon, benadrukte dat de VS een sterke Europese Unie wensen, met het Verenigd Koninkrijk als lid. Dat relativeerde wat de Britten nog altijd zien als hun ‘speciale band’ met Amerika. De VS hebben, zo maakte Gordon duidelijk, liever dat Europa met één mond spreekt en zich richt op de gedeelde Atlantische belangen.

Europa mag dan relevantie verliezen op het wereldtoneel, binnen de EU geldt hetzelfde voor het Verenigd Koninkrijk. Een actief en overtuigd Brits lidmaatschap is niet alleen goed voor de Europese Unie. Het is ook in het belang van het Verenigd Koninkrijk. Het is goed dat Gordon die boodschap deze week duidelijk heeft overgebracht. Want Londen luistert doorgaans beter naar Washington dan naar Brussel.

Vrijhandel als enige basis voor Europese samenwerking is een Brits misverstand. Vrije handel is een onmisbaar begin, een eerste stap naar verdere integratie en lotsverbondenheid.

Een nieuw handelsverdrag tussen EU en de VS is ook meer dan een materiële overeenkomst. Het onderstreept en versterkt een gezamenlijke toekomst in een wereld waar de machtsverhoudingen razendsnel veranderen. Dat is geen luxe, maar een noodzaak.