Kunststof

De textiele werken van Christie van der Haak zijn te zien in een tentoonstelling. Hoe een schilder stoffenontwerper werd.

Christie van der Haak legt een ingelijste foto op tafel. Een opname van fotograaf Hans Aarsman van een druk kruispunt bij de Stopera in Amsterdam – midden op het zebrapad, tussen de auto’s, is een hond aan het kakken. „Die foto hangt al twintig jaar bij mij aan de muur en uitgerekend op dat kruispunt ben ik eind oktober gevallen.”

Van der Haak vertelt de anekdote met een grimas op haar gezicht. Toen ze na de val bijkwam, zaten er twee metalen platen in haar rechterarm, de arm waarmee ze tekent. Domme pech, zegt ze, juist op een moment dat het haar zo goed gaat.

Christie van der Haak (62) is van huis uit schilder. Maar de afgelopen tien jaar legde ze zich toe op het ontwerpen en weven van stoffen. Met succes, want begin vorig jaar ontving ze de oeuvreprijs van het Haagse kunstcentrum Heden. Als uitvloeisel daarvan opent volgende week een tentoonstelling, begeleid met een publicatie over haar textiele werken. Bovendien heeft het Nederlandse behanglabel Designwall net drie ontwerpen van haar op de markt gebracht en presenteert een Amerikaanse stoffenfabrikant binnenkort een Christie van der Haak-collectie. „Het lijkt erop dat de tijd eindelijk rijp is voor wat ik doe”, zegt ze met enige zelfspot.

Haar decoratieve en kleurrijke werk viel wel eens minder in de smaak. Van der Haak herinnert zich nog goed hoe verwonderd critici en bezoekers reageerden toen Rudi Fuchs in 1985 in het Van Abbe-museum haar schilderijen toonde. „Zo’n explosie van kleuren, zoveel decoratie, veel mensen wisten niet wat ze zagen.”

De figuratieve elementen in haar ontwerpen worden vaak over het hoofd gezien. Ze is een verhalenverteller, zegt ze. Soms is haar werk actueel. Met enige tegenzin vertelt ze hoe ze zich ergerde aan de PVV, toen die twee jaar geleden opperde om de abstracte schilderijen van Rudi van de Wint in de plenaire zaal van de Tweede Kamer te vervangen door nationale symbolen als de vlag en de leeuw. Kort daarna exposeerde ze een grote installatie die overladen was met allerlei overdreven heraldische motieven, in al hun schijnbaar vrolijke kleurigheid ook een commentaar op de nationalistische iconografie van extreem-rechts. „Anders Breivik had ook al zo’n voorkeur voor vlaggen en wimpels”, zegt ze.

Tien jaar geleden las Christie van der Haak een artikel over de tafelkleden die schilder Marc Mulders had gemaakt in het Textielmuseum in Tilburg. Dat wilde zij ook wel eens proberen. Na een telefoontje met een conservator bleek ze van harte welkom en weefde ze haar eerste wandkleed. „Er ging een wereld voor me open”, zegt ze. „Ik zag meteen de enorme mogelijkheden voor mijn werk.”

Omdat kunstenaars letterlijk in de rij staan bij de grote weefmachine van het Textielmuseum en ze daar slechts af en toe een dag aan de weefmachine kan staan, is Van der Haak uitgeweken naar een grote Duitse weverij. Op basis van met inkt en gouache getekende patronen maakt ze daar stoffen en kleden. Door spiegeling en herhaling kan van een ontwerp op A4-formaat een rijk gevarieerd patroon worden gemaakt. Bovendien ontdekte Van der Haak dat ze op elk gewenst moment op de stopknop van de weefmachine kan drukken om de kleurstelling van garens te wijzigen. Dat levert, zegt ze, „een patroon van patronen” op.

Van der Haak gebruikt haar stoffen om er autonome kunstwerken van te maken. Niet alleen wandkleden, maar ook grote sculpturen. Zo staat in de hal van de Nederlandse ambassade in Washington een groot, stoffen object van haar hand. „Daar mag op gezeten worden”, zegt ze, „maar je kunt er ook alleen naar kijken”.

Waar beslist op moet worden gezeten, zijn de meubels in het Amrâth Hotel in Amsterdam waarvoor Van der Haak de stoffen ontwierp. Dit vijfsterrenhotel is gevestigd in het Scheepvaarthuis, een van de hoogtepunten van de Amsterdamse School-architectuur. Haar rijkgedecoreerde dessins sluiten goed aan bij het gebouw, maar dat diende alleen ter inspiratie, zegt ze. „Mijn werk lijkt wel op art deco, maar het is ook actueel en eigentijds.”

De ontwerpster trekt tijdens haar betoog de ene na de andere kast open om stalen te tonen van nog ongebruikte stofontwerpen, theedoeken en tafelkleden. We doen hier te weinig met stof, zegt ze. „Als ik naar de Britse televisieserie Downton Abbey kijk, vergaap ik me steeds aan die huizen met stofbespannen wanden.” Soms voelt ze zich een schatbewaarder, zegt de ontwerpster als ze weer een kleed uitvouwt. „Ik heb nog zoveel prachtige ontwerpen. Ik ben blij dat een groot publiek het allemaal kan gaan zien.”

    • Arjen Ribbens