Ik ben biologisch happy

Redmond O’Hanlon sleept zijn verleden met zich mee. Tijdens een lunch met schol staan er tassen vol onder tafel.

Bob van der Vlist, NRC Handelsblad, NRC Next, Lunch, Redmond O"Hanlon

Redmond O’Hanlon (65) duwt bij de begroeting zijn wit-grijze bakkenbaarden tegen mijn wangen en zegt dat hij vanochtend zijn eindredacteur bezworen heeft dat hij het niet wéér de hele tijd over seks zal hebben. „Fuck it”, zegt hij in zijn keurig nette Oxford-Engels. Hij laat zijn leren dokterstas en rolkoffertje uit zijn handen vallen, rukt zijn alpinopetje van zijn hoofd en spreidt zijn armen: „Hadden we elkaar nou al begroet?” Tussen onze buiken bungelt het vooroorlogse, metalen fototoestel dat hij altijd om zijn nek draagt. Als ervaringsdeskundige weet hij behoorlijk zeker dat bij mannen rond de 65 het testosteronhormoon nog één keer opflakkert voordat het voorgoed raakt uitgedoofd. „Het is even wachten tot de wetenschap er overtuigend bewijs voor aanlevert”, zegt hij als we restaurant De Kas in Amsterdam binnengaan.

Redmond O’Hanlon was in Nederland al een redelijk bekende schrijver van reisboeken over zijn zoektochten naar verloren paradijzen en uitgestorven dieren; Timboektoe, El Dorado, de Mokélé-Mbembe-dinosaurus. In 2009 vroeg televisiezender VPRO hem aan boord van het schip dat de ontdekkingsreis overdeed die Charles Darwin 150 jaar eerder maakte. Charles Darwin vond op zijn reis bewijs voor zijn evolutietheorie, die hij opschreef in zijn boek On the Origin of Species. Redmond O’Hanlons lievelingsboek – hij is gepromoveerd op natuurhistorische literatuur. Die boeken sleepte Redmond O’Hanlon in een trolleykoffertje achter zich aan door oerwoud en moeras en hij las er 35 afleveringen van Beagle uit voor. En sindsdien is O’Hanlon Nederlands knuffel-Brit. Hij geeft lezingen door het hele land en dit jaar maakt de VPRO voor de tweede keer een serie van O’Hanlons helden. Redmond O’Hanlon reist naar Soedan, Papoea-Nieuw-Guinea en de bronnen van de Nijl. In de negentiende eeuw nog terra incognita, witte plekken op de wereldkaart die zijn helden hebben ingevuld.

Redmond O’Hanlon is snotterig. Nee, zegt hij, geen malaria falciparum. En ook niet de bilharzia waar hij voorheen zoveel last van had. Bilharzia, een infectieziekte, komt veel voor in Zuid-Amerika en Afrika en wordt verspreid door zoetwaterslakken. „Je weet niet dat je de ziekte hebt. Ik kwam terug uit Brazilië en wilde elke dag een siësta houden. Zeker tien procent van mijn intellect was weg. Ik dacht dat het mijn oude dag was.” De bilharzia is over, hij heeft alleen een onschuldige Hollandse griep. Hij woont al bijna twee jaar in Amsterdam, op een zolderkamer vlak bij Artis. De bibliotheek van de dierentuin beheert nu zijn collectie natuurhistorische boeken, in de Bibliotheca Redmondia. Zijn vrouw Belinda is in hun cottage bij Oxford blijven wonen. Samen hebben ze een dochter van 25 en een zoon van 22 („de enige in het gezin die onze huisarts nooit ziet”).

In Amsterdam is O’Hanlon gelukkig, zegt hij. „De stad met de menselijke maat, waar alle mensen mooi zijn, waar niemand gordijnen heeft en iedereen een boekenkast.” Hij is dankbaar voor alles wat hem in Nederland ten deel viel na Beagle. De meisjes die hem op straat staande houden om te vertellen dat hun oma verliefd op hem is. De jonge studenten voor wie hij een idool is. De duimen die omhoog gaan als hij een wandeling maakt. Hij mag wel zeggen dat zijn onverwachte succes in Nederland hem gered heeft van de depressie. Hier, in deze stad, had hij een masterpiece kunnen schrijven.

Dat kan toch nog, troost ik. Nee, schudt hij. „Boven de zestig is niemand nog in staat iets goeds te maken.”

De eigenaar van De Kas brengt champagne. Een fan. O’Hanlon schuift ondertussen zijn stoel steeds iets dichter bij de mijne. Hij veegt zijn halflange haar voor zijn oor weg: „Kijk, dit is het hoorapparaatje van de overleden moeder van Roel van Broekhoven.” Dat is de eindredacteur van O’Hanlons Helden. Het tweedehands apparaatje in zijn andere oor kreeg hij gratis in de hoorwinkel. Hij grijnst: „En samen braden die dingen mijn brein.”

Een documentaire maken, zegt hij, kan op zijn leeftijd nog wel. „Een film is een gezamenlijk product. Het is geen creatieve kwelling, zoals een boek. Alle research wordt gedaan, de reis wordt uitgestippeld, de eindredacteur zegt precies wat ik moet doen: zitten en de witte plekken invullen.”

In Soedan zal hij vertellen over Henriëtte en Alexine Tinne, moeder en dochter uit Den Haag die in de vorige eeuw met 500 bedienden en 60 kamelen het land doorkruisten. In India over sir Richard Francis Bruton, die 29 talen sprak en als eerste christen Mekka bezocht. O’Hanlon wrijft in zijn handen. „Ik bereis het liefst heteroseksuele landen.” Ik vraag me hardop af of ik dat wel goed verstaan heb. Ja, knikt hij. „Homoseksuele landen zijn droog en kaal, met bruine plekken. Heteroseksuelen houden van bergen, heuvels waarlangs rivieren stromen, vochtige plekken vol leven.”

Het voorgerecht komt. Drie kleine gerechten om zelf op te scheppen. Hij geeft me van alles wat. Een van zijn beste vrienden zei ooit dat ‘Retzie’ de smaakpapillen heeft van een neushoorn. Hij eet alles. „Ik was met een paar lokale gidsen in het regenwoud in Zuid-Amerika”, zegt O’Hanlon. „Die gids geeft me een aapje dat hij net uit de boom schoot en zegt dat het een lokale traditie is dat de vreemdeling de oogjes uit de schedel zuigt. Dus dat doe ik. ‘Gátver’, zegt die gids. ‘Jullie witten geloven ook alles’.” O’Hanlon duikt onder tafel in een van zijn tassen en zet een kistje op zijn schoot. Gerold in twee blauwe sokken en een rafelige onderbroek zit daarin een apenschedeltje. Hij wijst naar mijn bord. „Eet je sla maar.”

Als een klein jongetje tovert hij steeds weer nieuwe schatten uit zijn broekzakken, zijn binnenzak, zijn tassen. Een Sheaffer-vulpen waar ik eventjes mee mag schrijven. Een talisman gemaakt van boskathuid met daarin een echt kindervingertje duwt hij plagerig onder mijn neus. Een stokoude Nokia-telefoon. Een gloednieuwe iPad. „Gekregen. Ik haal hem elke avond uit zijn hoesje en dan aai ik hem.” Hij opent een mapje op het scherm en luistert met zijn ogen dicht. „Hoor je? Het is de lokroep van de houtduif.” En meteen ligt daar zijn allereerste vogelboek op tafel. Op het voorblad staat een verjaardagsgroet van zijn oma uit 1953.

Doodsangst

Waarom, vraag ik, sleept hij toch al die spullen mee? „Zal wel doodsangst zijn”, zegt hij eerst. Hij is aan alles gehecht geraakt. „Alle spullen die je meeneemt in de jungle veranderen in amuletten. Het voelt alsof alles wat je bij je hebt, je beschermt tegen het naderend onheil.” Hij vertelt dat zijn moeder toen hij een jaar of vijftien was stiekem zijn kamer binnenging en al zijn boeken meenam en verbrandde. O’Hanlon is de tweede zoon van een Anglicaanse plattelandspastor. „De wereld van mijn ouders was gemaakt door God. En die kwam in de boeken die ik als kind las te weinig voor. Grappig genoeg komt de evolutietheorie voort uit dat diepe respect voor de natuur van protestanten. Elk mugje, elk kevertje getuigt van de grootsheid van de schepper en verdient het om gedetermineerd te worden. Daarom is het vak biologie ook zo groot in protestantse landen; Nederland, Duitsland, Engeland.”

Wat hij aan zijn jeugd overhield, is een bijna fetisjistische liefde voor zijn boeken. En voor de evolutietheorie. „De evolutietheorie gaat over seks en overleven en verklaart anders onverklaarbare fenomenen. Darwin zegt: mannen doen álles om de liefde van een vrouw te winnen. Gedrag en uiterlijke kenmerken die vrouwtjes aantrekkelijk vinden, worden in de loop van de evolutie versterkt. Waarom hebben kevers klauwen? Om elkaar te grijpen als ze vechten om het mooiste vrouwtje. Waarom zingen mannetjesmerels zo prachtig? Waarom sorteert een prieelvogel zijn bessen op kleur?” Hij kijkt me net zo lang aan door zijn ronde, gouden brilletje tot ik zeg wat hij wil horen: alle mannetjes willen seks.

Hij gniffelt: „En bij mensen werkt het precies hetzelfde. Alle vrouwen zeggen dat ze op mannen met humor vallen. Waarom? Omdat humor iets zegt over de zelfverzekerdheid van de man. En zelfverzekerdheid kan een indicator zijn van toekomstig succes. Vrouwen vinden dat aantrekkelijk. Mannen nemen een grote auto om vrouwen te lokken. Pas als vrouwen elektrische auto’s beter vinden, gaan mannen erin rijden.” Ik vraag hoe hij zijn vrouwtje lokte. „Met mijn bakkenbaarden?” vraagt hij, ineens schuchter. „En ik had een héél grote motorfiets.”

De universiteit van Oxford wilde hem alleen weer toelaten als hij zou trouwen – hij was weggestuurd wegens wangedrag. Na zijn huwelijk met Belinda, op zijn negentiende, mocht hij zijn literatuurstudie afmaken. „Ik ben altijd overal uit gegooid.” Hij brengt het als mededeling. Nooit ergens in dienst. Geen vaste betrekkingen.

Na zijn derde glas witte wijn vraag ik voorzichtig of hij overdreef toen hij zei dat Amsterdam hem van de depressie redde. „Manische depressie”, verbetert hij. Hij wist ook niet dat hij dat had, tot hij met een psychiater moest praten over zijn dochter die toen, als tiener, aan anorexia leed. „Die psychiater, een vrouw, vroeg of ik nog iets tegen mijn moeder zou willen zeggen als ze nog leefde. Ja hoor, zei ik: ‘zak in je graf, dan dans ik erop’. En toen was ik ineens het probleem.”

Lithium

Nu slikt hij lithium, na jaren zelf experimenteren met drugs om de herrie in zijn hoofd te bedwingen. „Cocaïne maakt een zombie van je. Je ogen worden dof, je gezichtspieren staan strak.” Hij denkt dat hij daarom niet goed overkwam bij televisieoptredens op de Engelse televisie. „Al die fijne gezichtspiertjes zijn evolutionair gericht op contact maken. Dat kon ik toen niet.”

We delen een toetje. Hij trommelt op zijn buik. „Ik moet drie keer per week naar de sportschool van de eindredacteur.” Hij moet een beetje in vorm komen voor de reizen die hij dit jaar gaat maken. „In de vorige eeuw was een reis naar Afrika een doodsvonnis.” Bijna al zijn helden overleden tijdens hun tochten aan een exotische ziekte. Mijn oog valt op een pot met pillen in een van zijn tassen. Hij volgt mijn blik. „Spirulina”, fluistert hij samenzweerderig. Vitaminepillen. Hij schudt er een paar uit het potje, drukt ze in mijn hand en knijpt die stevig dicht: „Voor thuis.” Ik vraag of het hem nu goed gaat. „Ik ben biologisch happy.” En serieuzer: „Je bent zo gelukkig als je ongelukkigste kind.”

Om de paar maanden gaat hij terug naar Oxford. „En elke keer zak ik als de paus door mijn knieën om de grond te kussen.” Zoveel cultuur, zoveel historie, zoveel boeken op zo weinig vierkante kilometers. „Negentig procent van de wereldpopulatie is arm en verstoken van welke cultuur dan ook.”

„Onze beschaving duurt niet lang meer. We zullen net als de dinosauriërs uitsterven. Over vijf miljoen jaar zijn we vervangen door een heel intelligent soort kakkerlak.” Redmond O’Hanlon is er klaar voor. „Laten we hopen dat ze Engels spreken.”

    • Rinskje Koelewijn