Geen keus aan de tap én te veel betalen

De consument is de dupe van de ‘biercontracten’ tussen brouwers en uitbaters. Om de markt weer gezond te maken, moeten cafés meerdere bieren mogen tappen.

Je staat in je favoriete café maar kunt niet je favoriete biertje bestellen. De uitbater heeft namelijk een contract met een brouwer die hem verbiedt bieren van andere brouwerijen te tappen.

De uitbater baalt zelf ook, want hij betaalt een te hoge inkoopprijs voor zijn bier en houdt hierdoor aan het einde van de dag minder geld over.

Het rapport Naar concurrentie op de tap van SEO Economisch Onderzoek, dat vandaag verschijnt, moet het sluitstuk zijn van de serie bierrapporten die brancheorganisatie Koninklijke Horeca Nederland sinds 2011 heeft geïnitieerd. Allemaal komen ze op hetzelfde neer: de horecabiermarkt is verziekt.

Het eerste rapport, Rendement en relatie, toonde aan dat hoe sterker een horecaondernemer gebonden is aan een brouwerij, hoe minder winst hij maakt. Gebonden zijn betekent dat een uitbater de biertank in de kelder of zelfs het hele pand van de brouwer huurt, of een lening bij de brouwer heeft lopen. De kroegbaas mag dan uitsluitend bier tappen van ‘zijn’ brouwerij.

Een uitbater die gebonden is, verkeert in een underdog-positie bij onderhandelingen. Het gevolg is dat hij voor een liter bier twee keer zo veel betaalt als de supermarktprijs en minder rendement maakt. Cafébazen weten bovendien van elkaar niet wat zij betalen. „De inkoopmarkt is weinig transparant”, constateert onderzoeksbureau Panteia/EIM.

Het tweede rapport, dat afgelopen zomer verscheen, ging over het overstapgedrag van de horecaondernemers. Hieruit bleek dat in zes jaar tijd 14,8 procent van de cafés overstapte naar een andere brouwerij – gemiddeld 2,4 procent per jaar. Het overstapgedrag hangt sterk af van de mate waarin de uitbater aan de brouwer gebonden is. Van de uitbaters die hun pand huren van de brouwerij, zei het merendeel dat overstappen niet mogelijk (65 procent) of zeer moeilijk (23 procent) is. Dat komt ook terug in de cijfers: van deze uitbaters stapte in zes jaar tijd vrijwel niemand (0,3 procent) over.

Het rapport van SEO is een analyse van de „niet functionerende tapbiermarkt” en gaat vooral in op de mededingingseconomische kant van de biermarkt.

Waar Koninklijke Horeca Nederland opkomt voor zijn eigen achterban – de horecaondernemers die door de brouwers „als een citroen worden uitgeknepen”, zoals directeur Lodewijk van der Grinten altijd zegt – kijkt SEO puur naar het belang van de consument.

„Het gaat niet om de caféhouder. Of om de brouwer. Of om hun onderlinge verhouding. Het gaat om de consument. Die betaalt te veel voor zijn biertje en heeft te weinig keuze”, zegt Barbara Baarsma, algemeen directeur van het private SEO en bijzonder hoogleraar marktwerking- en mededingingseconomie aan de Universiteit van Amsterdam. Samen met onderzoekster Nicole Rosenboom schreef zij het rapport.

De vraag of een uitbater er wel op zit te wachten om én Heineken én Grolsch én Bavaria op zijn tap te hebben, wuift Baarsma weg. „Het gaat er niet om of de uitbater het wil. De consument zit erop te wachten. Meerdere bieren op de tap zorgt voor concurrentie, waardoor de prijzen omlaag gaan. Maar los van of de uitbaters en de consumenten het willen; het is nu niet eens mogelijk.”

Dat is een mededingingskwestie. Een vrij ingewikkelde. Als gevolg van de nieuwe mededingingsregels die de Europese Commissie in 1999 heeft ingevoerd, mogen de brouwerijen met een marktaandeel van meer dan 30 procent geen meerjarige contracten meer afsluiten met uitbaters.

In Nederland is Heineken de enige brouwerij met zo’n groot marktaandeel. Daarom heeft Heineken als enige contracten met een opzegtermijn van twee maanden. De Nederlandse Mededingingsautoriteit (NMa), die in 2002 moest oordelen of de overeenkomsten in strijd waren met het kartelverbod, vond dat belangrijk. Ondernemers kunnen op elk gewenst moment opzeggen als zij willen overstappen op een concurrerend merk. De overige brouwerijen – Grolsch (sinds 2008 in eigendom van SABMiller), AB InBev (Dommelsch, Hertog Jan, Jupiler, Hoegaarden, Leffe) en Bavaria – mogen vanwege hun kleinere omvang uitbaters wél langer aan zich binden.

In het SEO-rapport wordt de opzegmogelijkheid van de Heinekencontracten ernstig in twijfel getrokken. „Op papier klinkt het heel redelijk dat de uitbater te allen tijde kan opzeggen, maar in de praktijk kan hij dat helemaal niet”, zegt Baarsma. Cafés die een lening hebben lopen, moeten die binnen de opzegtermijn van twee maanden terugbetalen. Of zij moeten duizenden euro’s neerleggen om de bruikleenovereenkomst voor hun biertank op te zeggen. Daar hebben de ondernemers niet genoeg geld voor, zegt zij.

Om de markt effectief te laten concurreren, stellen Baarsma en Rosenboom, móét de exclusiviteit uit de biercontracten. „Pas als je concurrentie op de tap krijgt, gaat de markt naar behoren functioneren.”

Een logisch gevolg zou zijn dat de brouwerijen niet meer als banken optreden. Want dat is het verweer dat de brouwerijen altijd bezigen: zij móéten de uitbaters wel helpen met hun financiering, want de banken doen het niet. Baarsma: „Een onderneming heeft zo nu en dan een lening nodig, een kredietfaciliteit. Dat blijft zo. Maar nu kijken de banken niet eens naar de horeca, omdat het een onaantrekkelijke sector is met lage marges en veel faillissementen. Als brouwerijen minder gaan financieren, gaat gewoon de tucht van de kapitaalmarkt weer werken.” Dat zal tot gevolg hebben dat er cafés verdwijnen, beaamt zij.

Volgens het SEO-rapport moet de NMa de biercontracten van Heineken opnieuw beoordelen, en daarbij rekening houden met de drempels die uitbaters belemmeren hun contract te beëindigen. „We zijn tien jaar verder”, zegt Baarsma, „en er zijn nu allerlei feiten bekend die er toen niet waren. Onze inschatting is dat het besluit nu anders zou uitvallen dan in 2002.”

Daarnaast zou de NMa moeten bekijken of de overige brouwerijen niet ten onrechte zijn vrijgesteld van het kartelverbod. Baarsma: „Afzonderlijk zijn die brouwerijen te klein om aan te pakken, maar je ziet dat het soort overeenkomsten dat ze sluiten met uitbaters zeer gelijksoortig zijn en hetzelfde effect hebben. Dat verziekt op dezelfde manier de markt. Collectieve netwerken zijn verboden. Maar wij zijn mededingingseconomen en geen juristen, dus daar moeten zij maar naar kijken.”