Fuentes ziet vaak 'zekere evolutionaire tendensen'

Augustín Fuentes, Race, Monogamy, and other Lies they told you. University of California Press, € 28, 274 blz.

Jammer, de titel is het leukste wat dit boek biedt. Auteur Augustín Fuentes wil moderne mythes ontkrachten. Dat de mens in de loop van de evolutie steeds gewelddadiger is geworden. En dat geweld dus nodig is om veel nakomelingen te krijgen. Dat mensen op grond van biologische kenmerken in rassen in te delen zijn.

Fuentes is cultureel antropoloog die onderzoek onder primaten zoals mensen en chimpansees heeft gedaan. Hij is hoogleraar antropologie en onderzoekt paarvorming bij mensen en andere primaten. En hij onderzoekt de interacties tussen verschillende soorten, zoals honden en mensen. Dat schrijft hij allemaal op in zijn boek om duidelijk te maken dat hij echt wel de autoriteit heeft om er iets over te zeggen.

En niets is zo erg als blind vertrouwen wat onderzoekers zeggen, schrijft hij, want onderzoekers gaan nogal eens hun boekje te buiten.

James Watson krijgt ervan langs. Watson was een van de jonge onderzoekers die in 1953 de structuur van DNA vaststelde. Maar tijdens een toespraak in 2007 vertelde hij zijn gehoor de toekomst van Afrika erg somber in te zien, omdat ‘al onze maatregelen zijn gebaseerd op het feit dat hun intelligentie gelijk is aan de onze – terwijl alle testen laten zien dat dat niet zo is.’

En de media, die moet je ook niet vertrouwen. Die versimpelen alles. Het ergste is echter onwetendheid. Wie te weinig weet, is makkelijk manipuleerbaar.

Na die inleidende schermutselingen gaat Fuentes aan het werk. De evolutietheorie nog eens goed uitleggen. Duidelijk maken dat de survival of the fittest wel in ieders hoofd hangt, maar niet het belangrijkste is aan de evolutietheorie. En dat dat begrip al helemaal niet over fitte individuen gaat die moeten proberen hun tegenstanders te verslaan. Dat het gaat om organismen die toevallig een bepaalde mutatie hebben opgelopen waardoor ze beter in hun omgeving passen (of hun omgeving beter naar hun hand kunnen zetten) en vervolgens meer nakomelingen krijgen dan soortgenoten die de gunstig uitpakkende mutatie missen. Dat doet hij niet gek.

Natuurlijk legt Fuentes ook uit dat het hardnekkige streven om eigenschappen toe te wijzen aan nature of nurture, aan aanleg of omgevingsinvloed, volkomen achterhaald is. Dat het bijna altijd gaat om de combinatie. Fuentes gebruikt vaak de akelige samentrekking naturenurtural. ‘We are naturenurtural’.

Langzaam maar zeker, vooral in de drie beslissende hoofdstukken waarin Fuentes de mythes over ras, geweld en sekse belooft op te blazen, gaan zijn taal en redeneringen tegen staan. Politiek correct, dat is hij. En erg Amerikaans.

Wat is er nou uitdagender om in een discussie over (het niet-bestaan van) menselijke rassen een parallel te trekken met honden-, paarden- of plantenrassen. Een ras is door mensenhand gecultiveerd. Hoe was dat vroeger? Hoe kwam Linnaeus op zijn stuitende indeling van mensenrassen? Maar nee, Fuentes trekt van leer zonder scherpe definitie van ‘ras’. Hij trekt van leer tegen het Amerikaanse Census Bureau dat vijf rasgroepen onderscheidt.

Fuentes laat zien (met bloedgroepen en afweerkenmerken) dat veel biologische kenmerken mooi verdeeld zijn over alle wereldbewoners. En zegt dan: het begrip ras heeft geen biologische grondslag. Maar het moderne forensische DNA-onderzoek waarmee de regionale herkomst van een lijk aardig is te bepalen, laat hij buiten de discussie. Terwijl het daar om gaat: om de aanwijsbare verschillen, wat die zeggen en hoe daar mee om te gaan.

Steeds meer omhaal van woorden heeft hij nodig. Om te verklaren dat een gelijke-seksemoord vrijwel altijd man-vermoordt-man is, schrijft hij: ‘de beste verklaring hiervoor is een mix van sociale, economische, historische en ervaringsfactoren waarbij nog de mogelijkheid komt dat er een zekere evolutionaire tendens bij jonge mannen is om risicovol gedrag te vertonen’. Dan ben je op blz. 135, blader je eens zuchtend verder en stel je tevreden vast dat de laatste 50 bladzijden van het boek uit literatuur, noten en inhoudsopgave bestaan. Wim Köhler

    • Wim Köhler