Een marine van reders en kooplui

Geschiedenis

Oorlogvoering op zee was onder de Nederlandse Republiek een overheidstaak, maar die werd uitbesteed aan rijke reders en kooplieden.

De werf van de Zeeuwse admiraliteit, Vlissingen 1779. Rijksmuseum, Amsterdam

De marine, het oudste onderdeel van de Nederlandse strijdkrachten, viert dit jaar zijn 525ste verjaardag. Ze kiest als haar geboortejaar 1488, toen Maximiliaan van Habsburg de Ordonnantie op de Admiraliteit uitvaardigde. Over die datumkeuze valt te twisten. In de eeuw vóór de Opstand tegen de Spaanse koning bestond er nog geen Nederlandse staat en dus ook geen Nederlandse marine. Het gewest Holland had zijn eigen vloot en voerde buiten de Habsburgse admiraal om zijn eigen oorlogen, onder meer om zijn handelsbelangen in de Oostzee veilig te stellen.

In de eerste fase van de Opstand deelden ongeregelde Watergeuzen de eerste klappen uit aan de Spanjaarden. Maar om het Spaans-Habsburgse rijk te verslaan was een heel ander type vloot nodig. De Staten Generaal vaardigden op 13 augustus 1597 de Instructie voor de Admiraliteiten uit, waarmee orde werd gebracht in het vlootbeheer van de jonge Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden. Dat beheer was, net als de Republiek als geheel, sterk gedecentraliseerd. Het werd toevertrouwd aan vijf admiraliteiten: Zeeland, de Maze (Rotterdam), Amsterdam, het Noorderkwartier (Noord-Holland) en Friesland. Deze provinciale instellingen namen ieder een deel van de oorlogsvoering en het vlootbeheer voor hun rekening, onder verantwoordelijkheid van de Staten Generaal. Ze kwamen twee keer per jaar bijeen voor overleg in Den Haag, en daar namen ze de grotere besluiten, maar de organisatie van marinewerven, de keuze van leveranciers voor de bevoorrading van de vloot en de organisatie en het uitsturen van oorlogskonvooien, dat alles werd geregeld door de lokale admiraliteiten.

Via deze plaatselijke colleges hadden rijke kooplieden-regenten een sterke greep op het beheer en de inzet van de oorlogsvloot, een unieke situatie in vroegmodern Europa. Volgende week promoveert de historicus Pepijn Brandon aan de Universiteit van Amsterdam op het proefschrift Masters of War – State, Capital and Military Enterprise in the Dutch Cycle of Accumulation (1600-1795). Hij karakteriseert de Republiek als een ‘federale makelaardijstaat’, die niet alleen sterk gedecentraliseerd was, maar ook cruciale overheidstaken, zoals oorlogsvoering, uitbesteedde aan particuliere ondernemers. Brandon keek naar de personele samenstelling van de colleges die de admiraliteiten bestuurden. Zijn conclusie: de grote bankiers, reders en kooplieden van de Republiek hadden vaak zelf zitting in deze raden.

Marine en markt

“Het systeem had grote voordelen voor de staat en de betrokken investeerders,” vertelt Brandon. “Het maakte een nauwe samenwerking mogelijk tussen de admiraliteit en handelaren en leveranciers. Zo kon de Republiek, vergeleken met andere Europese staten, makkelijker hulpbronnen mobiliseren door gebruik te maken van de netwerken en de kennis van ondernemers en gunstige regelingen bedingen voor leveranties. In meer absolutistische landen, in Zweden, Frankrijk en Spanje, werden deze ambten vergeven aan verwanten van de vorst en een paar hoge ambtenaren. In Zweden waren het vaak aristocraten, in Engeland vooral marineofficieren. Daar was het marinebestuur een bureaucratisch instituut, dat verder af stond van de markt. In de Republiek waren marine en markt geïntegreerd; de vloot werd ingezet voor handelsbelangen en bestuurd door grote handelaren. Een vorm van kapitalistisch zelfbestuur.”

De marinewerven waren publieke bedrijven die werden bestuurd door ondernemers. Brandon: “Officieel mochten bestuurders geen contracten afsluiten met eigen bedrijven. Maar onderhands gebeurde dit op allerlei manieren. Aan het eind van de 17de eeuw trouwt een dochter van de secretaris van de Amsterdamse admiraliteit, Anna de Wildt, met de grootste touwslager van Amsterdam en die wordt vervolgens dé touwleverancier van de marinewerf.”

In de admiraliteitsraden, zegt Brandon, stelden ondernemers niet alleen hun eigen commerciële belangen veilig. Zij introduceerden ook beginselen van efficiëntie en een kapitalistische mentaliteit in deze publieke instellingen. “In mijn boek beschrijf ik hoe zij de arbeidsverhoudingen op de marinewerf van Amsterdam reorganiseren en moderniseren vanuit het idee van efficiency. Het personeel heeft dat overigens ervaren als verlies van vrijheden. Onder de oude gildestructuur konden zij bepalen wanneer en hoe ze werkten. Die structuur wordt met succes afgebroken. Dat kunnen die ondernemers, want zij hebben ervaring op hun eigen werven, in hun eigen economische achterland. En dan krijgen ze ook nog eens de macht van de staat achter zich. Ze runnen niet meer een privébedrijf met honderd personeelsleden, maar een staatsinstelling met 1.000, 1.500 arbeidskrachten. De marinewerven, de grootste productiefaciliteiten van de Nederlanden vóór de Industriële Revolutie, worden pioniers van typische marktpraktijken als een efficiënte boekhouding, kostenbeheersing en een strakke discipline op de werkvloer.”

Brandon verwerpt de opvatting dat het beheerssysteem van de marine in de loop van de achttiende eeuw faalde. “Volgens een oud verhaal in de Nederlandse vlootgeschiedenis treedt aan het begin van de achttiende eeuw ‘aristocratisering’ op, komen er allerlei baantjesjagers in de besturen, verdwijnt het vakmanschap en is het vervolgens snel gedaan met de efficiency van de vloot. Ik zie dat nergens. Niet in het personeel van de admiraliteiten, niet in de financiering, niet in de manier waarop de werf bestuurd wordt. In de eerste helft van de achttiende eeuw, een rustige periode in de marinegeschiedenis, wordt er enorm gereorganiseerd op de Amsterdamse marinewerf, om nog beter en efficiënter te produceren. De scheepstimmerlieden radicaliseren, want die worden geconfronteerd met een heel actief en agressief management. En dat is compleet in tegenspraak met het beeld dat tot nu toe bestaat.”

Volgens Brandon hebben historici zich ten onrechte alleen afgevraagd of de Nederlandse vloot op den duur nog kon concurreren met die van Engeland en Frankrijk in de grootste categorie oorlogsschepen. “De Nederlandse staat maakte een bewuste keuze: ze gaf prioriteit aan handelsbescherming boven concurrentie met grote oorlogsvloten. Er werd overgeschakeld naar snelle, relatief kleine schepen die dienden voor konvooiering – beveiliging – van koopvaardijschepen en dat ging uiteindelijk ten koste van de weerbaarheid van de Nederlandse oorlogsvloot. Die wordt in de Vierde Engelse Zeeoorlog (1780-1784) verpletterend verslagen door de Britten. Daaruit is ten onrechte geconcludeerd dat de achttiende-eeuwse besturen geen verstand meer hadden van marinezaken.”

Korte termijn

Dit raakt aan de hoofdconclusie van Brandons onderzoek. “Het is niet zo dat het marinebeheer niet meer met geld kan omgaan en inefficiënt wordt. Nee, de admiraliteiten blijven hun werk heel nauwkeurig doen, maar een staat moet keuzes maken. De Republiek moet aan de ene kant de kortetermijnbelangen behartigen van de economische elites en aan de andere kant een langetermijnvisie ontwikkelen op de vereisten van internationale machtspolitiek: hoe zorgen we dat we over dertig jaar nog domineren in de wereldzeeën? Internationale macht is natuurlijk in het belang van de eigen concurrentiepositie, maar het rendement van investeringen daarin is niet meteen zichtbaar. Als je ondernemers aan het hoofd van de staat stelt, heeft dat gevolgen voor het denken over strategie op langere termijn. Dan komt de nadruk te liggen op kortetermijnbelangen. En dat is precies wat er gebeurde.”

Na 1815 gaan de vijf admiraliteiten op in het ministerie van Marine. Daarmee wordt de zeemacht onderdeel van een eenheidsstaat, het Koninkrijk der Nederlanden. Brandon: “Natuurlijk behouden dezelfde mensen voor een deel hun invloed, komen dezelfde bestuurders terug en houden kooplieden greep op investeringen. Maar er worden ook belangrijke stappen gezet naar een gecentraliseerde en bureaucratisch georganiseerde staat. Daardoor wordt de afstand tussen ondernemers en de staat groter. Er worden nog steeds kapitalisten ingeschakeld, maar dan door uitbesteding van deeltaken via contracten. Het is niet meer zo dat een complete staatstaak wordt overhandigd aan een groepje ondernemers met de boodschap: doe jullie ding, succes ermee. Dat is na 1815 echt afgelopen.”

De privatiseringen sinds de jaren negentig van de vorige eeuw lijken niet op de situatie onder de Republiek, zegt Brandon. “Er wordt wel eens gedaan of nu de hele staat wordt uitverkocht, maar dat is natuurlijk niet zo. Er valt wel een parallel te trekken: winstbelang op de korte termijn en gunstige effecten voor de samenleving op lange termijn overlappen hoogst zelden. In de Republiek konden instellingen goed en efficiënt georganiseerd zijn en optimaal gebruik maken van de markt, maar daar had niet iedereen baat bij. Wél de bewoners van de Gouden Bocht, het rijke stuk van de Herengracht, maar niet per se de Republiek als geheel en zeker niet het personeel van een admiraliteitswerf.”

    • Dirk Vlasblom