Opinie

    • Piet Borst

De dubbele helix

Jim Watson is één van de wonderlijkste onderzoekers die ik ben tegengekomen. Dat was jaren 70; hij was toen al beroemd, de Watson van Watson en Crick, de Watson die bij het publiek bekend werd door de ‘De dubbele helix’, waarin de ontdekking van de DNA-structuur sappig wordt beschreven. Watson was er vroeg bij: net 25 toen hij DNA vond, 32 toen hij de Nobelprijs kreeg, en 39 toen zijn boek De dubbele helix uitkwam. Van dat boek is vorig jaar een geannoteerde uitgave verschenen die een fascinerend inkijkje geeft in de ontdekking van DNA en het ontstaan van Watsons bestseller (J.D.Watson, The Annotated and Illustrated Double Helix, Simon & Schuster).

Veel mensen hebben gepoogd om de publicatie van De dubbele helix tegen te houden, blijkt nu. De meest vasthoudende en invloedrijke criticus was Watsons maat, Francis Crick. Hij ergerde zich aan de roddels, het achteloos afkraken van collega’s, het triviale geleuter over tenniswedstrijden en party’s, en de weinig systematische wijze waarop de wetenschap in Watsons boek wordt gepresenteerd. Allemaal terechte bezwaren, maar die verklaren niet de bestsellerstatus. Die komt door de unieke kijk op de wetenschap van een eigenzinnig wonderkind met schrijftalent. Uit de geannoteerde versie blijkt nu dat Watson van meet af aan gemikt heeft op een spannend boek, niet een historisch verantwoord feitenrelaas. Hij hechtte ook sterk aan een eigen toon, afwijkend van het muffe politieagentenproza waarin wetenschappelijke artikelen meestal worden geschreven.

Dat verklaart ook waarom hij zich met succes heeft verzet tegen wijziging van de beroemde eerste zin van zijn boek: ‘Nog nooit heb ik Francis Crick in een bescheiden stemming gezien’, de opmaat tot een vermakelijk en precies portret van Crick, één van de meest briljante onderzoekers die ik heb ontmoet. Crick had een ongeëvenaard vermogen om bliksemsnel de experimentele gegevens van een nieuw wetenschappelijk probleem in zich op te nemen en om te zetten in nieuwe verklaringen en suggesties voor meer proeven. Crick haalde mensen echt door de mangel als hij vond dat ze aan iets interessants werkten. In een uur wrong hij alle relevante gegevens uit je, om vervolgens iedere interpretatie door zijn intellectuele gehaktmolen te draaien. Ik vond het een onvergetelijke ervaring, maar veel onderzoekers zagen op tegen een bezoek van Crick, die je proeven interpreteerde voor je daar zelf aan toe was gekomen.

De jonge Jim Watson was vrij onmogelijk. Met zijn rare grijns, onbehouwen motoriek en onverholen verachting voor minder slimme mensen zou hij het niet ver gebracht hebben in de Nederlandse wetenschap anno 2013. In 1950 lag dat anders. Een slimme jongen kreeg de steun van bovenbazen en kon zich permitteren om lang achter een groot, mysterieus probleem aan te jagen – de structuur van onze genen – zonder veel resultaat te boeken.

En machtige vrienden had Watson. Een keur van (latere) Nobelprijswinnaars kwam voor hem op, soms ook met enige frustratie over het onaangepaste gedrag van Watson. Nobelprijswinnaar Salvador Luria schreef Watson: ‘Godvergeten bastaard, je hebt de meest stupide brief geschreven aan de Commissie’ (die Watsons subsidie moest goedkeuren). Maar Luria zou Watson nooit laten vallen. Binnen ons brave NWO, dat tegen old boys’ networks is en zich inspant om zoveel mogelijk verschillende onderzoekers in beoordelingscommissies op te nemen – dus ook veel tweederangs onderzoekers – zou zo’n onbehouwen Watson met zijn megalomane plannen en dito ego niet aan bod zijn gekomen.

In tegenstelling tot zijn maat Crick wist Watson nooit meer een spectaculaire ontdekking te doen, maar hij heeft wel invloed gehad op de ontwikkeling van de biologie. In Harvard poogde hij de biologiestudie geheel af te stemmen op moleculaire biologie en alle veldbiologie uit te bannen. Idioot natuurlijk. De ruzies die daardoor ontstonden heeft Ed Wilson – van de mieren, sociobiologie en biophilia – vermakelijk geschetst in zijn boek Naturalist (Warner Books, 1995). Wilson beschrijft Watson als ‘de meest onaangename vent’ die hij ooit is tegengekomen en als de Caligula van de biologie.

Na Harvard werd Watson directeur van het Cold Spring Harbor Laboratory for Quantitative Biology, waar hij een uitzonderlijke groep getalenteerde onderzoekers bijeen bracht. De licht schizoïde Watson bleek daar ook gewiekst in het vergaren van geld voor onderzoek. Dat wist hij zelfs los te praten van de steenrijke villabewoners rond zijn lab. Wij mochten daar allemaal bij helpen: als spreker in het jaarlijkse Symposium van Watsons lab werd je erop uitgestuurd voor de lunch bij een villabewoner om de wetenschap te promoten.

Zijn streken verloor Watson echter nooit helemaal. Hij bleef als enfant terrible uitspraken doen die mensen op de kast joegen. Saaie mensen, domme mensen, en uiteindelijk ook nog zwarte mensen, zelfs heel Afrika. Dat ging een stap te ver. Watson werd persona non grata, maar zijn De dubbele helix blijft een uiterst leesbaar boek over een van de belangrijkste ontdekkingen in de biologie.

    • Piet Borst