Brieven

Zwarte rat en de pest

In het artikel Pest zonder rat, zonder vlo (Wetenschapsbijlage, 5 &6 januari) schreef Wim Köhler over Noorse wetenschappers die beweerden dat niet de rattenvlo, maar mensenvlooien en luizen de pest in Scandinavische landen hadden verspreid. Archeologische opgravingen hadden dat aan het licht gebracht, terwijl bovendien, aldus de Noren, de zwarte rat slechts sporadisch in Scandinavië voorkwam. Nieuw is deze opvatting niet. Al in 1975-1976 kwam de historicus J.N. Biraben in zijn studie Les hommes et la peste en France et dans les pays européens et méditerranéens tot dezelfde conclusie. Voor ons land opperden Leo Noordegraaf en ik in 1988 in ons boek De Gave Gods, de pest in Holland vanaf de late middeleeuwen dat naast rattenvlooien vooral mensenvlooien en luizen verantwoordelijk waren voor de snelle verspreiding van de pest. Rattensterfte hebben we slechts bij één epidemie kunnen constateren, die van 1636 in Nijmegen toen er volgens een tijdgenoot veertig dode ratten in een waterput waren aangetroffen. De verklaring hiervoor was volgens deze tijdgenoot overigens dat zij waren vergiftigd. Ook is nooit bewezen dat ons land in de periode van de Republiek van de ratten vergeven was. Bovendien, zo betoogden wij in deze in 1996 heruitgegeven studie, zijn ratten geen reizigers, terwijl de pest zich zo snel verspreidde, ook over het platteland, dat andere vectoren dan rattenvlooien hiervoor ten minste medeverantwoordelijk moeten worden gehouden. Inmiddels wordt de vraag actueel hoe het komt dat, terwijl er al zoveel bewijzen voor het tegendeel zijn aangedragen, de zwarte rat nog steeds zo hardnekkig als enige verantwoordelijk wordt gehouden voor de vele pestepidemieën die Europa tot in het begin van de achttiende eeuw teisterden.

Gerrit Valk

Alkmaar

Grenen en dennen

In de wetenschapsbijlagen van 29&30 december en 5&6 januari is al aandacht geschonken aan de verwarring rond de benaming van hout van enkele naaldboomsoorten. Grenenhout en dennenhout kunnen – in botanisch opzicht – van dezelfde boomsoort afkomstig zijn, maar de terminologie van de houthandel kent eigenaardige afwijkingen. Er zijn nog meer termen in de verwarrende naamgeving geslopen, die in de praktijk misverstanden opleveren.

Vooral Scandinavië is het herkomstgebied van grenen en vurenhout, die in de Nederlandse bouw werden en worden gebruikt. Het merkwaardige is dat het oorspronkelijke woord voor groveden in Zweden ‘furu’ is. Je zou dan mogen verwachten dat ‘vurenhout’ van de groveden afkomstig is. Dat is niet het geval. De fijnspar levert vurenhout, terwijl die boomsoort in het Zweeds met ‘gran’ wordt aangeduid. Via ‘gran’ zou het logisch lijken om hout van fijnspar ‘grenenhout’ te noemen. Niet dus. Fijnspar levert ons ‘vurenhout’ en hout van groveden moet het derhalve met ‘grenenhout’ doen. ‘Dennenhout’ als benaming voor hout van groveden zou moeten kunnen, maar is toch foute boel.

De in ons land geïmporteerde waardevolle douglasspar (Pseudotsuga menziesii , vroeger taxifolia) staat met zijn kenmerken tussen spar (Picea) en den (Abies) in. Hout uit de inmiddels derde generatie douglasbossen in Nederland wordt met ‘douglashout’, ‘ inlands douglas’ of ‘douglasden’ aangeduid. Aan geïmporteerde douglas uit het westen van Canada of de Verenigde Staten (het oorsprongsgebied van onze douglas) daarentegen hangt de handel meestal het naamkaartje ‘Oregon Pine’. De douglas is echter geen ‘pine’ of ‘Pinus’. Gemakkelijker kan ik het dus niet maken.

Leffert Oldenkamp

Wageningen

Hoogste schoorsteen

Karel Knip schrijft in Sinaasappelstromen (Wetenschapsbijlage 5 & 6 januari) dat de schoorsteen van de Hemwegcentrale met 176 meter de hoogste in Nederland is. Onjuist: in de Shell-raffinaderij Pernis staan er twee van 213 meter.

W. Mulder

Den Haag

    • Leffert Oldenkamp
    • Gerrit Valk
    • W. Mulder