Zieke mensen

Na twee leeggegeten strips paracetamol, liters water en anderhalve dag in bed met The Walking Dead, terwijl ik geen enkele interesse voor deze tv-serie kan opbrengen, is het me duidelijk dat ik ziek ben.

Het heerst, zoals iedereen dan placht te zeggen, de halve bevolking ligt geveld op bed, maar toch betrap ik mezelf iedere keer als virussen of bacteriën toeslaan op die ene angst: dat mensen niet zullen geloven dat ik écht iets heb. Natuurlijk bestaat er een categorie mensen waarbij je nooit zal twijfelen als ze zich ziek melden, de mensen die het geen probleem vinden om even op de fiets iets op te halen in Buitenveldert, die compleet nuchter om elf uur ’s ochtends nog mee naar een afterparty gaan of die uren kunnen doorwerken op een kopje thee en een handje pinda’s – een categorie waartoe ik nooit echt zal behoren. Tel daarbij op dat het een algemeen bekend feit is dat zieke mensen nogal vervelend zijn (met hun gesnuif en gepruttel en gezweet en ge-‘ieuw deze tomaat smaakt helemaal niet naar tomaat maar naar rottende boomschors’), maar dat mensen die doen alsof ze ziek zijn, vele malen erger zijn. Degenen die altijd met een dikke sjaal om rondlopen, elk huidvlekje googelen, stiltes gebruiken om hoorbaar te zuchten of ‘ziek’ iedere vrijdagochtend weer verwarren met ‘epische huidverschrompelende wodkakater’.

Zolang je echter niet repetitief aan het projectielbraken bent of duidelijk kookt van de koorts, moet het ziek zijn toch voornamelijk bewezen worden door opmerkingen als „Ik heb dus echt best wel hoofdpijn” – iets wat iedereen wel kan beweren. Het verlangen naar erkend ziek zijn doet vreemde dingen met je: ik krijg bijvoorbeeld altijd de onplezierige neiging mensen iets meer te vertellen over mijn kwalen dan noodzakelijk. Waarschijnlijk vanuit het idee dat details zorgen voor authenticiteit, vertel ik aan de persoon die mij argeloos opbelt onmiddellijk over mijn constante zweetrug, de opgezette lymfeklieren in mijn keel die een pad niet zouden misstaan en dat ene ontstoken oor. Want, ook altijd lastig: hoe je aan de telefoon klinkt. Je werk of een afspraak afbellen met een opgewekt: „Hee hallootjes, nou ik lig in de lappenmand hoor, mij kan je opvegen vandaag! Niets meer waard! Tot later en succes hè daar, toedels!” kan niet, maar elke rochelende hoest klinkt alsof je er een geforceerd stervende zwanen-monoloog van probeert te maken.

De beste methode is toch: er niet te veel over praten en zo snel mogelijk beter worden. En misschien moet ik wat vaker uit mezelf aanbieden een ommetje naar Buitenveldert te maken.

    • Renske de Greef