Wij raken elkaar hier niet aan

Wie in het Israël van de jaren vijftig in een kibboets leefde, kon niet eenzaam zijn, zou je denken. Een vergissing, zo blijkt uit de nieuwe verhalen van Amos Oz. Menigeen werd op zichzelf teruggeworpen.

March 1948, Haifa, Israel --- Dinner in a Kibbutz Dining Hall --- Image by © Jerry Cooke/CORBIS © Jerry Cooke/CORBIS

Angst voor intimiteit is een thema dat voortdurend terugkomt in het werk van de Israëlische schrijver Amos Oz. Zo ook in zijn nieuwe boek Onder vrienden, een bundel met acht verhalen, die zich afspelen op een fictieve kibboets in de prille Joodse staat van de jaren vijftig.

Meteen al in het eerste verhaal, ‘De koning van Noorwegen’, is het raak. Hoofdpersoon is de zonderlinge Tsvi Provizor, die voor de kibboetsleden via zijn transistorradio het wereldnieuws bijhoudt en dat rondbazuint. Wanneer hij op een avond aan een vriendin, de jonge weduwe Lona, geestdriftig vertelt over de hongersnood in Somalië, pakt ze zijn hand en trekt die naar haar borst. En dan komt het, in de als altijd mooie vertaling van Hilde Pach: ‘Tsvi beefde en trok zijn hand schielijk terug, met een bijna gewelddadige beweging. Zijn ogen begonnen te knipperen. Zijn leven lang had hij geen anderen aangeraakt en kreeg hij kippenvel als hij zelf werd aangeraakt. Hij hield van de aanraking van de kluiten ongeschoffelde aarde en van de zachtheid van de stengels van jonge planten, maar de aanraking van vreemde mensen, mannen of vrouwen, deed hem ineenkrimpen alsof hij zich gebrand had.’

In die paar regels zit zoveel eenzaamheid samengebald, dat het je als lezer pijn doet. Oz weeft die gevoelstoestand vervolgens door de overige zeven verhalen, die telkens een ander lid van de kibboets als hoofdpersoon hebben. Ieder van hen is eenzaam op zijn of haar eigen manier. Zoals de jonge Osnat, die om half zes ’s ochtends naar haar werk in de wasserij gaat en dan langs het huis komt waar haar man Boaz sinds kort met een andere vrouw woont. Boaz heeft haar uitgelegd dat zulke dingen nu eenmaal gebeuren. Er is volgens hem niets dramatisch aan de hand. En dat slikt Osnat. Ze stuurt zelfs briefjes naar Boaz’ nieuwe vrouw, waarin ze schrijft dat ze hem zijn pillen moet laten slikken en hem minder zwarte koffie moet laten drinken, als een bezorgde moeder die het over haar geliefde zoon heeft. Uiteindelijk zoekt die nieuwe vrouw troost bij Osnat, omdat ze er niet tegen kan dat Boaz ook met haar niet over zijn gevoelens wil praten.

Of neem het titelverhaal, waarin geschiedenisleraar en kibboetsleider David een verhouding begint met zijn leerlinge Edna, de zeventienjarige dochter van zijn beste vriend Nachoem. De vrouw van Nachoem is overleden, zijn zoon omgekomen bij een vergeldingsactie. Maar vader en dochter praten niet over dat grote verdriet: ‘Ze waren stilzwijgend overeengekomen geen gevoelens aan te raken en ook elkaar niet aan te raken. Ook niet lichtjes, geen hand op de schouder en geen vingers op de arm.’ Met die vingers op die arm raakt Oz het onbespreekbare leed aan en precies dat is zo knap aan deze verhalen.

Bedroefd

Tegelijkertijd laat Oz Nachoem gewoon bevriend blijven met David, om zijn verslagenheid te onderstrepen. Want al neemt Nachoem zich voor om woedend tegen zijn vriend uit te vallen, als het erop aankomt kan hij het gewoon niet, zo bedroefd en teleurgesteld is hij.

David is op zijn beurt een overlever, die vlak voor de Tweede Wereldoorlog uit Europa is gevlucht, met achterlating van zijn ouders, die door de nazi’s zijn vermoord: ‘We hebben in levend vlees moeten snijden, en dat was dat,’ zegt hij daarover. Het tekent de hardheid, die je moet zien als een medicijn om het grote verdriet van de Holocaust mee te kunnen genezen.

Voor Joden als David is de kibboets een nieuwe levensvorm, waar ze het verleden kunnen vergeten en hun familiebanden voorgoed kunnen doorsnijden door zich volledig over te geven aan het op marxistische leest geschoeide collectief, dat emoties ondergeschikt maakt aan rationaliteit. Vandaar dat hij in een ideologische discussie over het feit of de baby’s in de kibboets aan de ouders toebehoren of aan het collectief voor het laatste kiest. Ook is hij ertegen dat steeds meer jonge kibboetsleden na hun eindexamen naar de universiteit willen. ‘… op een dag zal iedere stalknecht bij ons doctor in de filosofie zijn. Waarom niet? Maar in geen geval ten koste van het noodzakelijke werk in het schapenhok en op het land.’

In het verhaal ‘Vader’ zegt diezelfde David tegen de teruggetrokken scholier Mosjee, die zijn vader in het ziekenhuis wil bezoeken: ‘Die reisjes van jou naar je familie verwijderen je van ons.’ Dwingender kan het bijna niet. En precies dat zorgt ervoor dat je, naarmate je vordert in Oz’ verhalen, steeds beter begrijpt hoe beklemmend het dagelijks leven in zo’n kibboets in de jaren vijftig moet zijn geweest. Alles stond er in dienst van het ideaal, dat in de praktijk weliswaar niet meer was dan een collectief landbouwbedrijf, maar in wezen het pronkstuk vormde van de nieuwe Joodse staat, waarin gelijkheid en kracht samengingen met het ontginnen van nieuwe gronden. Ook al leefde maar vier procent van de Israëlische Joden op die manier.

Oz heeft voor zijn inspiratie niet veel moeite hoeven doen. Toen hij vijftien was, liep hij van huis weg en vond een onderkomen in de kibboets Choelda. Hij veranderde zijn achternaam van Klausner in Oz (wat ‘kracht’ betekent) en zou er dertig jaar blijven. Tot aan zijn vertrek bezat hij niet meer dan een paar boeken en wat kleren.

Royalties

Toen hij in 1968 als schrijver doorbrak met zijn roman Mijn Michael (over een man en een vrouw die elkaar emotioneel niet kunnen bereiken) moest hij zijn royalties storten op de algemene rekening van de kibboets. Hij had het boek ’s nachts geschreven op de wc van het piepkleine appartement dat hij in de kibboets met zijn vrouw bewoonde.

De ongeschreven dwangwetten van het collectief waren op de kibboets enorm. Zo had Oz net als sommige jonge hoofdpersonen in zijn verhalen niets in te brengen, ook niet toen hij op zijn vierentwintigste zijn eerste verhalen begon te publiceren en vrijaf vroeg van zijn werk op de boerderij, in zijn geval om te kunnen schrijven. ‘Wie is hij om zich op zijn vierentwintigste al als schrijver uit te roepen. Wie moet er dan de koeien melken en het land ploegen,’ kreeg hij te horen van de ouderen, wier toestemming hij nodig had.

Na een lange discussie kreeg hij uiteindelijk een dag per week schrijfvrij, terwijl hij verder twee dagen moest lesgeven en drie dagen op het land werken. Pas toen Mijn Michael een internationaal succes werd, onderkende de kibboetsleiding zijn talent en kreeg hij drie dagen schrijfvrij per week, wat in de jaren tachtig opliep tot vier dagen. Een dag per week moest hij toen nog bedienen in de eetzaal. Alleen zoiets is al een nieuw verhaal waard.

Amos Oz neemt op zaterdag 19 januari deel aan het het Winternachten Festival in Den Haag. www.winternachten.nl