Met groeten uit Rijkistan

Terwijl de economische voorspellingen onveranderd grimmig zijn, blijven sommigen buiten schot. Wat heet, uit de ‘Bloomberg Billionaires Index’ bleek vorige week dat het gezamenlijk vermogen van de honderd rijkste mensen op aarde in 2012 steeg met 182 miljard euro. De allerrijkste is de Mexicaanse telecommagnaat Carlos Slim, goed voor 57,9 miljard euro. Dat is gelijk aan 6 procent van het Mexicaanse BBP en het equivalent van het gemiddelde jaarsalaris van 400.000 Mexicanen, rekent journaliste Chrystia Freeland voor in haar boek Plutocrats.

In 2005 schreef Citigroup al dat ‘de wereld zich aan het verdelen is in twee blokken: de plutonomie en de rest.’ De rijken wonen in een ander land, Richistan, zo werd dat jaar in een boek met die titel geconstateerd. Inmiddels kun je Rijkistan beter als een andere planeet beschouwen, die weg tolt van de aarde, verder de stratosfeer in. In 2011 groeide de economie van de VS met 2,3 procent, maar de bovenste 1 procent kon 11,6 procent bijschrijven. Ook in egalitaire landen als Nederland, Zweden en Finland groeit de inkomenskloof.

Inhaligheid? Nee, eerder een soort verblinding waardoor plutocraten er heilig van overtuigd zijn dat ze hun land maximaal dienen door hun eigen winst te maximaliseren. Van verontwaardiging daarover moet Freeland, werkzaam bij onder meer The Financial Times en nu met een hoge baan bij persbureau Thomson Reuters, niks hebben. In Plutocrats schetst ze de afkomst, opleiding, levensstijl en opvattingen van schathemelrijken. Eerder schreef ze over Russische oligarchen, ze zit fora voor waar miljardairs aanschuiven en ze komt op hun borrels. Het interessantst aan haar boek is het uitgebreide psychologisch portret van de rijken, die in een soort gecapitonneerde ideologische capsule blijken te leven en geen idee meer hebben van wat er in de echte wereld aan de hand is.

Oligarchen

Om het kaf meteen van het koren te scheiden; plutocraat ben je niet als je toevallig een keer in de Quote 500 staat. Het gaat Freeland om ‘de mondiale 1 procent’, en vooral om het eerste cohort daarvan, de 0,1 procent. Daarin zitten vooral Amerikanen maar ook enkele Indiase en Chinese miljardairs en Russische oligarchen.

Hoe kan het dat superrijken hun voorsprong alleen maar vergroten? In wezen is het simpel. Plutocraten zijn de winnaars van de globaliseringsronde die inzette in de vroege jaren tachtig, met de opkomst van internet en het tijdperk van deregulering. Freeland trekt een vergelijking met de Amerikaanse Gilded Age, tussen 1890 en 1920. De ‘robber barons’ van toen profiteerden van de industriële revolutie. Huidige magnaten profiteerden van de groei van de financiële sector en telecommunicatie en de snelle privatisering van opkomende economieën.

Hiermee vertelt Freeland weinig nieuws, maar ze laat wel goed zien hoe ontwikkelingen elkaar beïnvloeden en aanjagen. Globalisering maakt dat minder winnaars meer winnen – afzetmarkten zijn groter, de hele wereld wil immers de spullen van dat éne topmerk. Globalisering zorgt dat westerse ondernemers profiteren van de technologierevolutie in het Westen, maar ook van de goedkope arbeidskracht elders. Globalisering maakt de koek groter, maar de oneerlijke verdeling ervan dus ook.

Dat is het beeld dat Freeman schetst. Er is niet opgelet en nu blijkt het gereedschap anders te werken. Globalisering is niet alleen een krik. Het is ook een wig die rijk en arm splijt.

Maar zo lijkt het even alsof die arme multimiljardairs het zelf ook niet kunnen helpen. Maar financiële slagkracht betaalt zich, als regeringen bang zijn voor banen verlies, dubbel uit in politiek gewicht Campagnefinanciering, lobbygeld en -kracht, het ons-kent-ons fenomeen en de draaideur tussen politieke en economische carrières - rent-seeking is de term, zeg koopjesjacht op megaschaal – bepalen overal het overheidsbeleid. De nieuwe mondiale geldoligarchie schuimt de wereld af op zoek naar de beste investeringen en de opleidingen voor hun kinderen. Een movable feast, noemt Freeland hun levensstijl, naar Hemingway.

Al met al is Plutocrats een mooi portret van de krachten die de UHNW’s (Ultra High Net Worth-lieden) omhoogstuwen. Maar als het gaat om al wie niet op Rijkistan woont, schiet dit boek te kort. Freeland denkt met haar zegslieden dat iedereen uiteindelijk profiteert van de groei die de superrijken scheppen, al brengt dit eerst grote sociale ontwrichting teweeg. Dat na de Gilded Age twee Wereldoorlogen plus een depressie nodig waren om een balans te bereiken, is hierbij een pijnpuntje dat ze uit de weg gaat.

Stagnatie

Evenmin gaat ze de actuele discussie aan met de groep economen, onder wie Joe Stiglitz en Paul Krugman, die betoogt dat de kosten van ongelijkheid allang veel hoger zijn dan de baten. Joseph Stiglitz’ overzicht van rent-seeking in zijn boek The Price of Inequality (Besproken in Boeken, 27.7.12) laat overtuigend zien hoezeer de Amerikaanse samenleving actief werd aangepast aan de noden van de rijken, en hoezeer dit verhindert dat anderen vooruit komen.

Voor de toekomst vestigt Freeland, nadat ze eerst hun verblinding heeft geschetst, toch haar hoop op inzicht bij plutocraten zelf: op termijn betekent te veel ongelijkheid het einde van sociale mobiliteit en daarmee van innovatie en groei. Iets van een omslag valt inmiddels te bespeuren. In de VS moet de bovenste 2 procent volgens de jongste afspraken meer belasting betalen, waar vorig jaar een groep Amerikaanse miljonairs al expliciet om vroeg. Maar of het genoeg is om de krachten te keren die planeet Rijkistan wegslingeren? Plutocrats stemt allerminst optimistisch.

    • Maartje Somers