Column

Martelen

Een plotselinge regenbui dreef me op het Singel het Torture Museum in. Amsterdam heeft twee van zulke museums, maar ik had nooit zin gehad om ze te bezoeken. De stad heeft meer museums die me onverschillig laten. Het Amsterdams Tulpen Museum en het Amsterdams Cheese Museum bijvoorbeeld. Dagelijks kom ik er langs, veel toeristen gaan er binnen, maar zelf voel ik geen enkele verleiding.

Met martelen heb ik ook weinig. Volgens onder anderen Gerard Reve valt er veel lust aan te ontlenen, vooral bij ‘langzame en zorgvuldige geseling’ van ‘violetgelaarsde Jongens’, maar het leven bevat al pijn genoeg die, vroeg of laat, ongevraagd aan de deur klopt.

Omdat ik geen paraplu bij me had, stond ik daar toch opeens tussen de gruwelijkste martelwerktuigen en afbeeldingen van martelingen. Bij de ingang hing een citaat van Erasmus uit het begin van de 16de eeuw met een waarschuwing die niet misverstaan kon worden: „Zachtjes, zachtjes, er staan galgen overal en talrijk zijn de scherprechters; de lucht rond de galgen is verpest – ik walg ervan dit woord uit te spreken – en de beulen zijn geen lieden om mee te converseren.”

Elke Europese stad had toen zijn schandpaal op het marktplein, de schandtekens van straf behoorden bij het straatbeeld. Het publiek werd uitgenodigd om aan openbare beschimpingen deel te nemen, de rechtbank verstrekte soms de rotte eieren.

Dwalend door de muffe, schemerige vertrekken van het museum begon mijn fantasie zich, tegen wil en dank, voor te stellen hoe het geweest moest zijn om zulke gruwelen te ondergaan. Omdat de louter buitenlandse toeristen soms nogal draalden, stond ik minutenlang voor een afbeelding van een man die gezeten was op ‘het Spaanse paard’. Het was een bekend martelinstrument bij verhoren, bestaande uit een hoge zitplaats op poten. De ongelukkige die erop moest plaatsnemen, kreeg gewichten aan zijn benen gebonden. Dit tafereel vond ik nog niet eens het ergste van de tekening, dat was de aanblik van de gevangene die elders in het vertrek door twee beulen werd gereedgemaakt om de gemartelde op te volgen. Hij werd gedwongen te kijken naar wat hem te wachten stond.

Wie in die eeuwen verhoord werd, betrad het voorportaal van de hel. Bekentenissen werden afgedwongen met duimschroeven, schedelkrakers en pijnbanken. De zwaarste zondaars werden op een rad vastgebonden waarna hun botten gebroken werden, het zogeheten radbraken. Belediging van de koning kon tot gevolg hebben dat vier paarden je uit elkaar mochten trekken. Het waren tijden waarin Hans Teeuwen en Theo Maassen een toontje later zouden hebben gezongen.

Ik merkte dat ik de route in steeds hoger tempo begon af te leggen. Ik passeerde ‘de slinger’ (voor ophanging aan de polsen), ‘de Judaswieg’ (een houten punt waarop je met je achterwerk gespietst werd) en een martelstoel voor heksen.

Hoe kregen ze het allemaal verzonnen? Maar eigenlijk kan ik dat superieure ‘ze’ beter vervangen door ‘we’. Dit museum bevatte alleen martelwerktuigen tot twee eeuwen geleden. Daarna zijn we vrolijk verdergegaan, zoals ook een bordje bij de uitgang liet weten. De methoden zijn veranderd, de mensen niet, althans, niet essentieel.

Binnenkort gaat in Nederland de Amerikaanse speelfilm Zero Dark Thirty – over de jacht op Bin Laden – in première. Hij begint met een indringende martelscène. Met dank aan het Torture Museum: ik ga niet kijken.