In dienst van de tijdgeest

De Duitse architect Ludwig Mies van der Rohe predikte ‘less is more’. Maar zelf deed hij niet wat hij propageerde, vinden zijn biografen.

e grootste onthulling in de biografie Mies van der Rohe is dat de bekendste uitspraak van Ludwig Mies van der Rohe (1886-1969) niet van de Duitse pionier van de modernistische architectuur zelf is. In 1960 bekende Mies van der Rohe tegenover studenten in Chicago, waar hij sinds 1938 werkte en doceerde, dat zijn dictum ‘less is more’ niet zelfverzonnen was, schrijven de Amerikaanse architectuurhistorici Franz Schulze en Edward Windorst. Hij had het gepikt van Peter Behrens, de Berlijnse architect bij wie hij een paar jaar had gewerkt in het begin van zijn carrière. ‘Het is niet origineel’, zei hij er toen over. ‘Maar ik houd er erg van.’

Sinds de eerste versie van de ‘kritische biografie’ van Mies van der Rohe uit 1985, die Franz Schulze nog in zijn eentje had geschreven, is er in de VS en Duitsland veel nieuw materiaal opgedoken over leven en werk van de architect die in de 20ste eeuw net zo invloedrijk was als Le Corbusier. Zo vonden Schulze en Windhorst in een Amerikaans archief het verslag van de rechtszaak die Edith Farnsworth, een arts in Chicago, in 1951 had gevoerd tegen Mies van der Rohe. Farnsworth had Mies van der Rohe een vakantiehuis in Plano laten bouwen dat ze als een wanprestatie beschouwde. Niet alleen waren de kosten van het huis opgelopen van 40.000 tot bijna 70.000 dollar, maar ook was het tot haar verbijstering een volledig doorzichtige doos van staal en glas geworden.

Nu is het minimalistische huis een van de beroemdste gebouwen van de 20ste eeuw, maar volgens Farnsworth was het onbewoonbaar. Bij zonneschijn werd het binnen in de glazen doos gloeiend heet, ’s winters was het niet warm te stoken en bij gemiddeld weer zonder zon bleef er van doorzichtigheid weinig over doordat de ramen beslagen raakten.

Schulze en Windhorst hebben de 3500 pagina’s van het verslag van de rechtszaak doorgeploegd, maar zijn niet op gegevens gestuit die nieuw licht op de zaak werpen. Dat Farnsworth wel degelijk wist dat ze een dure glazen doos zou krijgen, stond altijd al vast. Niet voor niets verloor ze kansloos het proces waarover Mies van der Rohe zei: ‘Ik was al beroemd, nu is zij het ook.’ Over de echte reden van de zaak kunnen Schulze en Windhorst nog altijd geen uitsluitsel geven. Net als andere Mies van der Rohe-kenners opperen ze dat Farnsworth het proces uit rancune begon. Ze suggereren dat ze een stukgelopen verhouding had met Mies van der Rohe, die in 1938 zijn vrouw en drie dochters in Europa had achtergelaten. Maar zekerheid hierover kunnen ze niet geven.

Ook de nieuwe versie van de Mies van der Rohe-biografie gaat dan ook vooral over het werk van Ludwig Mies van der Rohe. Opnieuw vertellen de biografen het verhaal over de twee Miesen die in de jaren twintig bestonden. De ene was de bewonderaar van de 19de-eeuwse Duitse architect Schinkel die traditionalistische villa’s bouwde voor de Berlijnse chic. De andere was de architect van nooit gebouwde glazen wolkenkrabbers die hem in avant-gardistische kringen bekend maakten.

De doorbraak van de modernistische Mies kwam met de Weissenhofsiedlung in Stuttgart, de modelwijk met huizen van Le Corbusier, J.J.P. Oud, Mart Stam en andere Nieuwe Bouwers in 1927 die Mies van der Rohe in opdracht van de Duitse Werkbund organiseerde. Drie jaar later maakte het Duitse paviljoen voor de Wereldtentoonstelling in Barcelona hem beroemd en werd hij directeur van het Bauhaus, de beroemdste school voor vormgeving van de 20ste eeuw.

Weer drie jaar later werd het Bauhaus door de nazi’s als cultuurbolsjewistisch instituut gesloten. Maar anders dan expressionistische architecten als Erich Mendelsohn bleef Mies van der Rohe in nazi-Duitsland. Sterker nog, twee maanden na de machtsovername ondertekende hij een oproep aan Duitse kunstenaars om het nieuwe nazi-regime te steunen. Ook deed hij toen, vergeefs, mee aan de prijsvraag voor een nieuwe Reichsbank.

Schulze en Windhorst oordelen mild over Mies van der Rohes ‘collaboratie’. Hij was nu eenmaal een apolitieke architect, schrijven ze, bovendien had hij reden om te veronderstellen dat de nazi’s het modernisme in de kunst en architectuur welgezind waren. Nazi-minister van Propaganda Goebbels was een liefhebber van expressionistische schilderkunst en sprak vaak over de noodzaak van een nieuwe kunst en architectuur die pasten bij de Nieuwe Orde.

Maar Mies van der Rohe vergiste zich: opper-Führer Hitler vond het modernisme ontaard. Hij kreeg steeds minder werk en raakte ten slotte in financiële problemen. Toen hij in 1938 het aanbod kreeg om de architectuurafdeling van het Armour Institute of Technology in Chicago op te zetten, vertrok hij dan ook voorgoed naar de VS.

In Chicago vond Mies van der Rohe zichzelf opnieuw uit, zo laten Schulze en Windhorst zien. Nauwgezet bepaalde hij hoe hij met glas en staal, volgens Mies van der Rohe de materialen die het moderne, industriële tijdperk representeerden, kon bouwen. Omstandig laten de twee biografen zien hoe hij met industrieel vervaardigde stalen en glazen onderdelen gevels in elkaar zetten. Van veel van zijn detailoplossingen hebben ze zelfgemaakte tekeningen opgenomen in het boek. Vaak schrijven ze er in bewonderende woorden over, maar ook vinden ze dat Mies van der Rohe zelf zijn richtlijn ‘less is more’ vaak niet volgde. Zo waren de ijzeren balken aan de buitengevels van zijn glazen torens als het Seagram Building (1959) in New York overbodig en dienden ze een esthetisch doel. En veel van zijn gebouwen waren rampzalig in het gebruik. Zo werd het ook in de appartementen in de torens aan de Lake Shore Drive (1951) in Chicago bij zonneschijn bloedheet en waren de gevels zo lek als een mandje. De grote, bovengrondse hal van de Neue Nationalgalerie in Berlijn uit 1968, zijn laatste grote werk, is volstrekt ongeschikt voor het tentoonstellen van kunstwerken.

Het ging Mies van der Rohe volgens Schulze en Windhorst in de architectuur dan ook helemaal niet om functionalisme. Architectuur was voor hem niet minder dan ‘de wil van een tijdperk vertaald in ruimte’. Aan de gedachten die Mies van der Rohe, de zoon van een steenhouwer in Aken die de ambachtsschool had gedaan, tot deze wijsheid hadden gevoerd, besteden de biografen jammer genoeg weinig aandacht. Zelf gaf Mies van der Rohe altijd hoog op van zijn belezenheid en ried hij bijvoorbeeld Edith Farnsworth eens aan om zich te verdiepen in het werk van de Duitse katholieke theoloog Romano Guardini als ze hem wilde begrijpen. Maar zijn biografen zijn er niet vanonder de indruk. Mies van der Rohe’s geschriften en lezingen zijn goeddeels onbegrijpelijk, vinden ze, en zijn gepraat over de ‘tijdgeest’ en de ‘wil van een tijdperk’ is on-origineel want ontleend aan Duitse romantici als Schinkel. Bovendien, zo voegen ze eraan toe, bestaat er geen enkel verband tussen de filosofische opvattingen van Mies van der Rohe en zijn ontwerpen.

    • Bernard Hulsman