Illusies van gemeenschap

Soms dreigt een schrijver te krimpen tot een enkel credo, zoals ‘Oprecht veinzen’ bij Frans Kellendonk. Twee mooie studies gaan voorbij de versteende clichés.

‘Steen buigt voor vlees,’ schreef Frans Kellendonk (1951-1990), en in die ene zin ligt de worsteling van zijn hele oeuvre besloten. De schrijver, die met zijn vroege dood (aan aids), zijn intellectuele oeuvre en gebeeldhouwde kop een welhaast mythische figuur in de Nederlandse letteren is geworden, zocht steeds een balans tussen die twee: steen en vlees, letter en geest, kunst en werkelijkheid, eenzaamheid en gemeenschap. Dat streven naar gemeenschap leidde bij hem zelfs tot een in de jaren tachtig weinig gangbare wending naar het katholicisme, en tot minder salonfähige opinies over de multiculturele samenleving.

Omdat de schrijver niet lang daarna stierf, is er het risico dat we ons slechts zijn cultuurkritiek herinneren, naast een enkel citaat (‘Ik heb in het hart van de schepping een leemte ontdekt waar God, als hij bestaat, mooi in zou passen’) of een summier credo (‘oprecht veinzen’).

De versteende clichés uit het Kellendonk-verhaal komen gelukkig in het geheel niet voor in een nieuwe studie over Kellendonk van Matthieu Sergier. De Vlaamse letterkundige richt zich in zijn proefschrift Ethiek van de lectuur alleen op de moeizame vader-zoonrelaties in het oeuvre.

Die zijn er in overvloed – van de kleine kroonprins in Kellendonks debuut Bouwval, die zijn familie van een voetstuk ziet vallen, tot de kwetsbare, homofiele Leendert en diens grimmige vader Gijselhart in Mystiek lichaam. Ontzettend knap is het hoe Sergier laat zien hoe vaders en zonen hier in elkaars ruimte komen en om elkaar heen draaien in een langzame wals, zonder dat ze elkaar werkelijk kunnen waarnemen.

Niet de psychologie in deze relaties interesseert Sergier, maar de ‘ethiek’ ervan. Daarmee zoekt hij aansluiting bij de hippe ethical turn die in anglosaksische landen al lang en breed plaatsgevonden heeft. Nu is ethiek een erg breed begrip, maar samenvattend zou je kunnen wijzen op een grotere aandacht voor de wijze waarop auteurs relaties beschrijven.

Het is een vruchtbare benadering voor een auteur als Kellendonk, die zich steeds over ethische vraagstukken boog. Cruciaal bij hem is de vraag naar de verhouding tot de Ander, of dat nu een diefachtige geliefde, een islamitische schoonmaker, een travestiet of een geestelijk gehandicapte is. Wonderlijk genoeg zegt Sergier nu juist niets over het ethische appèl van die figuren in Kellendonks verhalen. In plaats daarvan richt hij zich op het lezen zélf als ethische handeling. De manier waarop vaders en zonen naar elkaar kijken staat voor hem model voor de ‘waarneming van de andersheid’, en, zo redeneert hij, daarmee ook voor het lezen zelf, dat immers ook een vorm van waarneming van andersheid is.

Abstract

Dat maakt dit mooie en geleerde boek nogal abstract. De stap van ethisch lezen naar ethisch leven, van kunst naar werkelijkheid, ligt immers niet voor de hand. De afstand tussen die twee is nu juist het probleem dat Kellendonk voortdurend aan de orde stelde. Het kunstminnende personage Leendert adoreert de Maria op een paneel van Van Eyck, maar tot zijn zwangere zuster kan hij zich niet verhouden. Ook Sergier lijkt haar nauwelijks op te merken, en dat terwijl alles in Mystiek lichaam draait om liefde en gemeenschap. Zoals Kellendonk zei in 1991: ‘Er is een element dat je niet kunt uitschakelen en dat is het element dat met een groot woord liefde heet, dat hebben mensen nodig. Liefde bestaat niet voor jezelf alleen, dat is iets waar je anderen bij nodig hebt, zo simpel is dat’.

Maar niet iedereen bij Kellendonk krijgt toegang tot die gemeenschap, en homoseksuele mannen vooral niet. De auteur hield er een negatieve opvatting op na van de in zijn ogen solipsistische en narcistische wereld van de ‘mannelijkheid’ in het algemeen, en van homoseksuelen in het bijzonder. Sergier draait daar wat omheen. Hij constateert wel dat de zonen bij Kellendonk falen en eenzaam achterblijven, maar schrijft dit toe aan ‘de leegte van het bestaan’. Ik denk dat hun geaardheid er meer mee te maken heeft. Als de homoseksuele Leendert door zijn zus in Mystiek lichaam wordt verweten op ‘seksuele ruimtevaart’ te zijn gegaan, is dat niet helemaal ironisch.

Dat Kellendonks cultuurkritiek nog steeds pijnlijk is, komt uitvoeriger aan de orde in De figuur in het tapijt van Daniel Rovers. In de essays in zijn bundel gaat hij juist in op de relatie tussen een auteur, zijn werk, en de wereld daaromheen. De schrijvers die hij bespreekt (ook Willem Jan Otten, M. Februari, Tonnus Oosterhoff, Marie Kessels en Marc Kregting) koos hij omdat ze ‘briljante’ teksten schreven, maar ook omdat ze zich daarin verhouden tot bijvoorbeeld kapitalisme, feminisme, pornografie of beeldcultuur.

Rovers beschrijft niet alleen cultuurkritiek, hij bedrijft het zelf ook, bijvoorbeeld waar hij moppert op de universiteiten waar letterkundigen niet meer degelijk zouden leren lezen. Toch kan het niet zo vreselijk lang geleden zijn dat Rovers (1975) zelf in de collegebanken zat, en lezen kan hij uitstekend. Met een heilig geloof in zijn vermogen om ‘waarheid en schoonheid’ aan te kunnen wijzen, gaat hij op zoek naar ‘de zin van literatuur’. De manier om die zin op het spoor te komen blijkt gelegen te zijn in traditionele literaire analyses. Helder zet Rovers uiteen waar Kellendonks dilemma’s uit bestaan, om zich dan verder te richten op de vorm en de stijl. Net als Sergier concentreert hij zich dus op de kunstigheid en de ‘singulariteit’ van het oeuvre.

Koudwatervrees

Toch leggen ze daarmee niet de vinger op de zere plek. Er was volgens Kellendonk ‘geen grotere eenzaamheid dan die van de taal’. Misschien had literatuur voor hem wel minder zin dan wij graag willen denken. Niet voor niets heet een van zijn boeken Letter en geest, naar 2 Korintiërs 3: ‘want de letter doodt, maar de geest maakt levend’. Even betekenisvol is Kellendonks katholicisme, waarvan Jaap Goedegebuure in 2010 terecht schreef dat neerlandici die met een zekere ‘koudwatervrees’ vermijden en niet serieus te nemen.

Gemeenschap en taal lijken elkaar uit te sluiten bij Kellendonk. Al in zijn eerste novelle, Bouwval, maken drie generaties mannen zich vergeefs druk om geld, familieverhalen en het bouwen van een traditie. Ondertussen zit moeder thuis en draagt zwijgend haar ongeboren kind – zij is degene die zorgt voor de liefde, en voor de continuïteit van de geschiedenis.

Dat wil niet zeggen dat het heil voor Kellendonk in het gezinsleven lag (ook dat wordt stevig geïroniseerd), maar wel dat de letteren het vaak afleggen tegen de banalere en lelijke ‘waarheid’ van het leven zelf, de waarheid van gemeenschap, maar ook van een zoen of ‘een geschaafde knie’. Een interpretatie van dit werk die zich in de eerste plaats richt op taal, of op lezen, loopt het risico voorbij te gaan aan de relatie tussen taal en het ‘andere’: de wereld van vlees en bloed daarbuiten. Dus wanneer Rovers schrijft dat literatuur de mogelijkheid biedt ‘om in en door de tekst vormen van samenzijn, van gemeenschap te onderzoeken’, maakt hij Kellendonks onderneming geslaagder dan die was. De eenzaamheid van de kunst en de literatuur bieden al evenmin soelaas als de illusie van gemeenschap in een inmiddels geseculariseerde en gedesintegreerde samenleving. Dat lijkt mij de pijnlijke en ironische ‘waarheid’ van deze romans.

Jaap Goedegebuure: Nederlandse schrijvers en religie 1960-2010. Vantilt, 224 blz. € 17,50

    • Yra van Dijk