Het begin van landbouw was bewuste keuze

De theorie van het geleidelijke ontstaan van de landbouw gaat niet op voor erwten en linzen. De wilde vormen leveren niks op. Erwten kweken, was een bewuste ingreep.

Zes jaar lang stuurde de Israëlische hoogleraar biologie Shalal Abbo (Hebrew University) zijn assistenten eropuit om wilde erwten te oogsten. Op vier zorgvuldig uitgezochte veldjes (drie ten westen van Jeruzalem en één bij het Meer van Galilea) verzamelden ze maximaal drie keer per jaar erwten, gewapend met een stopwatch en een papieren zak. Opbrengst: amper 150 gram erwten per uur, en vaak minder dan 30.

Erg weinig erwten voor veel moeite, oordeelt Abbo, in een net verschenen artikel in het Journal of Archaeological Science (online 4 januari). En zelfs zó weinig dat de wilde erwt voor jager-verzamelaars nooit een belangrijke voedingsbron kan zijn geweest. Andere wilde gewassen – zoals wilde granen – zijn dan veel interessanter. Het zesjaren-onderzoek van Abbo is uniek, want als er al eens experimenten worden gedaan met wilde varianten van oogstgewassen duren die nooit langer dan één jaar. Het verzamelen bleek na zes jaar ook verrassend weinig invloed te hebben op de erwtenpopulatie.

Deze onaantrekkelijkheid van wilde peulvruchten als voedselbron, die eerder ook al uit kortere onderzoeken naar wilde linzen en kikkererwten werd afgeleid, is een groot probleem voor de heersende theorie over het ontstaan van de landbouw. Want die gaat uit van een geleidelijk en langdurig proces over honderden jaren van actief verzamelen door jager-verzamelaars. Die verzamelfase gaat dan – onder druk van bijvoorbeeld groeiende bevolkingsdichtheid – langzaam over in het steeds vaker zaaien en selecteren van de juiste zaden waardoor uiteindelijk een speciaal landbouwgewas ontstaat. ‘Cultivatie vóór domesticatie’, heet dit. Dit ‘langzaam naar elkaar toe groeien van mensen en gewassen’ kan bijna ongemerkt verlopen. Maar bij peulvruchten kan er dus nooit zo’n eerste fase zijn geweest, aldus Abbo. Niet alleen is de wilde bonenopbrengst laag, maar ze is ook erg wisselvallig, door grote gevoeligheid voor regenval, temperatuur en vraat.

Het probleem is dat peulvruchten (erwten, kikkererwten, linzen en voederwikke) wél een rotsvast onderdeel vormden van het allereerste akkerbouwpakket, samen met de granen eenkoorn, emmer en gerst. Op de oudste plekken waar verbouwd graan wordt gevonden, ca. 11.000 jaar oud, worden óók altijd resten van erwten, linzen en kikkererwten gevonden.

Voor wilde granen kan de huidige standaardtheorie wel opgaan, aldus Abbo. Met hun krachtige groei kunnen ook de wilde soorten makkelijk andere soorten wegdrukken, de zaden worden min of meer tegelijk rijp en – belangrijk voor het begin van de zaaifase – het zaad kiemt gemakkelijk (gemiddeld 50 procent van het wilde zaaigoed komt op). Maar peulvruchten groeien onregelmatig, de peulen worden niet tegelijk rijp en door de harde waterresistente schil kiemt het zaad ontzettend slecht. Ongeveer 10 procent van het wilde zaad komt het volgende jaar op, de rest blijft ‘wachten’ in de grond. Bij uitzaaiproeven werd het volgende jaar zelfs meestal minder zaad geoogst dan was uitgezaaid.

De enige uitweg uit dit probleem is, volgens Abbo en zijn collega’s, om de kweek van peulvruchten (die door hun hoge eiwitgehalte uitstekende voedingsmiddelen zijn) te laten beginnen met een bewuste ingreep van vroege boeren: ‘domesticatie vóór cultivatie’. „Het is een snel proces geweest, geleid door bewuste en kundige mensen die hun vindingrijkheid gebruikten”, zegt Abbo. Alleen zo kunnen de zeldzame varianten van erwten zijn uitgekozen die door hun zachtere velletje wel geschikt zijn als zaaigoed. „Met een lang onbewust en automatisch proces van toevallige selectie kom je daar niet op uit.”

Maar hoe kwamen die vroege boeren dan aan de botanische kennis om die juiste varianten te kiezen? „Precies zoals indianen in Zuid-Amerika ontdekten welke boombast kinine bevat en ook dat dit een medicijn is tegen malaria”, luidt het onmiddellijke antwoord van Abbo. „Deze mensen waren voor hun overleving zo totaal afhankelijk van hun kennis van de omgeving dat ze zeer veel planten en dieren heel precies kenden. Bij jager-verzamelaars wordt die kennis altijd benadrukt, maar als ze vroege boeren worden, wordt hun leven ineens afgeschilderd als een opeenstapeling van onbeholpenheid en toevallige gebeurtenissen. Dat kan niet kloppen.”

    • Hendrik Spiering