Geluk is vluchtig, een vonk

Myrthe van der Meer belandde van de een op de andere dag op een psychiatrische afdeling. Ze schreef een boek over die vijf maanden daar: Paaz.

‘Ik ga na mijn dood echt helemaal niks meer doen. ‘Niet storen’, dat komt op mijn grafsteen te staan.” Ze heeft net haar projecten en ideeën voor boeken (acht), tv-serie (één) en films (twee) opgesomd, en op elk plan laat ze een lach volgen. Omdat ze allerlei komische scènes voor zich ziet („Eén filmscript is AllStars meets Gooische Vrouwen, maar dan zonder diepgang”), maar ook omdat het best veel is. „Ik hoor het mezelf allemaal zeggen en denk ‘oh hoor, doe dat maar even…’ Het is zo vermoeiend.”

Ze is schrijfster en ze schrijft onder het pseudoniem Myrthe van der Meer. Ze is 29. Ze heeft het syndroom van Asperger en ze is manisch depressief. Dat weet ze pas een paar jaar. Op haar 26ste werd ze acuut opgenomen op de psychiatrische afdeling van een algemeen ziekenhuis (PAAZ) omdat ze zwaar depressief was en zelfmoordplannen had. Ze was redacteur bij een uitgeverij. Een „werkjunk”. Uiteindelijk had ze zich zo over de kop gewerkt dat haar altijd aanwezige gevoel van chaos en de wens om dood te zijn zich niet meer lieten temmen.

Toen de diagnoses asperger en manische depressiviteit werden gesteld, viel alles in haar leven op zijn plaats. De periodes van creatieve uitbarsting. De periodes waarin ze twee keer per dag een uur huilde. De dwang om alles beter, harder, meer te doen. En waarom ze dacht dat alles altijd haar schuld was. „Ik was de god van de hel.”

Over haar vijf maanden op de PAAZ schreef ze de autobiografische roman Paaz. „Alles wat zich op de PAAZ afspeelt, is waargebeurd. Wel zijn alle namen en achtergronden geanonimiseerd, ook de mijne. Niet voor mezelf, maar om mijn medepatiënten te beschermen.” Het levensverhaal van de hoofdpersoon is niet het hare, ze wisselde de achtergronden van haar personages uit. Ze liet het boek vooraf ter controle lezen door ex-medepatiënten, psychiaters en verpleegkundigen. Nu werkt ze aan een script voor een tv-serie Paaz. 

„Niet iedereen is liever dood. Ik dacht van wel, dat dat zó gewoon was dat daarom niemand erover sprak. Op de PAAZ ging ik daarover nadenken en praten. Ik werd  gedwongen te vertellen wat er in me omging. Er werd wel over gefronst, zo van ‘er is iets ernstig mis met patiënt nummer 38’, maar ik werd er niet voor veroordeeld. Dat was een enorme eyeopener. De houding was: het is heel erg raar, maar we gaan een uitweg zoeken. We proberen dertig manieren om jou te genezen en als die niet werken, geven we jou niet de schuld maar proberen we gewoon nummer 31.

„Wat mij heel erg verbaasde is dat mensen je echt willen helpen. Ik dacht altijd dat je alles zelf moet doen. En als je iets niet kunt, dat je het jezelf moet leren. Ik geloofde ook niet dat ik ziek was, ik dacht dat het een vorm van luiheid van mij was.”

„Er is geen enkel vakgebied met zo’n slecht zelfbeeld als de psychiatrie. Dat is helemáál sneu omdat zij mensen een goed zelfbeeld moeten aanleren. Toen een ex-psychiater van de PAAZ hoorde dat ik een boek had geschreven, was zijn reactie: ‘Oh, maar zij was toch helemaal niet negatief over de opname?’

„Ik heb denk ik wel honderd ervaringsverhalen gelezen van ex-psychiatrische patiënten en het zijn bijna allemaal afzeikboeken. Echt verschrikkelijk. Ik heb een schurftschijthekel aan mensen die standaard roepen dat de psychiatrie je mishandelt en vergiftigt met pillen en waar je alleen maar zieker vandaan komt, tenzij je jezelf op pure wilskracht beter maakt. Zoals zijzelf hebben gedaan. Vast. Feit is: je wilde dood en vervolgens ging er waarschijnlijk van alles fout bij je opname, maar tóch hebben die mensen jou maanden in leven gehouden, waardoor jij nu nog bestaat. Ze hebben jou in leven gehouden op het moment dat niemand anders dat nog aandurfde of aankon. Verdient dat geen respect?”

„Psychiatrische patiënten zijn gewoon mensen. Bouwvakkers, ambulancemedewerkers, leraren. Ik kwam op de PAAZ ook met alle standaardvooroordelen binnen: psychiatrie is eng. De eerste dag dacht ik: zo meteen krijg je eerst de dokter die je rondleidt en dat blijkt dan een patiënt te zijn, dat is in alle tv-series zo, dat hoort zo. Vervolgens zit er een heel lief meisje huilend op de grond in een hoek en zeggen mensen ‘ga niet naar haar toe’ en dan doe ik het toch en dan probeert ze je de strot af te bijten. En je wordt sowieso een keer aangevallen als je gewoon door de gang loopt. Dus de eerste weken was ik niet erg ontspannen.”

„De PAAZ is een heftige plek. Angstaanjagend. En tegelijkertijd sneu. Niemand die bij het interieurontwerp heeft gedacht: hier stop ik een beetje liefde in. Het linoleum was een soort quasimarmerspinaziegroen. Het mocht er vooral niet te gezellig worden.

Ik dacht in het begin van mijn opname echter zoals altijd alle narigheid weg: minder leuke dingen horen erbij, het had veel erger kunnen zijn, ze bedoelen het niet zo. De vijf maanden dat ik op de PAAZ zat, voelden daardoor juist als de mooiste periode van mijn leven. Ik wilde niet weg. Dat is de asperger in mij. Ik kan nooit ergens wegkomen. Ik vind het huis van mijn vriend helemaal niet zo leuk, maar als ik daar ben, kan ik er nauwelijks wegkomen. Ik moet mezelf eruit slepen. Toen ik werd opgenomen was ik 26 en ik woonde nog bij mijn ouders. De PAAZ was in dat opzicht ook een overgangsfase. Ik mocht er alleen uit als ik op mezelf ging wonen.”

„Je moet geen geluk nastreven. Geluk is altijd vluchtig, een vonk. Als geluk permanent zou zijn, zou je het niet meer voelen. Je moet op zoek naar tevredenheid. Dat is veel belangrijker dan dat je een keertje manisch bent en in één nacht zestig schetsen voor schilderijen maakt. En er nog een groot boek bij bedenkt. Dat maakt retegelukkig, ik weet wel hoe dat voelt hoor. Als je manisch bent kun je echt zo gelukkig zijn dat je hart bijna uit je borstkast springt. Dat je het gevoel krijgt dat jouw hart de sleutel tot het universum is. Dat alle geluk ter wereld jouw kant op stroomt, en van jou naar alle mensen, dat je een soort zend-en-ontvangstmast van geluk bent. Maar als dat wegvalt, val je diep.”

„Zoek hulp en accepteer dat je die niet altijd krijgt. Veel mensen die in de psychiatrie belanden, geven de psychiatrie één kans. Zo werkt het leven niet, nooit. Als je naar de supermarkt gaat en je vraagt ‘waar staat de grasboter?’, dan stuurt de caissière je toch ook eerst naar het kruidenrek en dan pas naar de boter? Geef mensen de kans om je te helpen.” 

„Ik ga na mijn dood echt helemaal niks meer doen. Ik wil rust. Ik ga in dat graf liggen en ik kom er niet meer uit. Ik heb ook tegen mijn vriend gezegd: als na mijn dood Derek Ogilvie  langskomt, met een klopgeest, of er staat ineens een ‘M’ op je raam geschreven, dan ben ik dat niet. Ik kom niet bij je langs, ik ga niet naar de hemel en ik doe ook niet aan reïncarnatie. Ik weiger. Ik lig daar gewoon eindelijk zonder pillen te liggen.”

Myrthe van der Meer: Paaz. The House of Books, 352 blz, 17, 95 euro

    • Simone van Driel