Geen taboe meer op windmolens vlak voor de kust

Nederland heeft grote ambities als het gaat om duurzaamheid. Maar om dat te realiseren moeten windmolens wel dichter onder de kust komen. „Landsbelang gaat voor horizonvervuiling.”

Het OWEZ-project, tien kilometer voor de kust van Egmond aan Zee. Foto Vincent Mentzel

Toeristen die naar de Nederlandse kustplaatsen komen willen de zon in de zee zien zakken en niet in een woud van windmolens. Kustgemeenten zijn daarom notoire dwarsliggers als het gaat om de ontwikkeling van windenergie op zee. Tot nog toe hadden ze één zekerheid: er zou alleen gebouwd worden op een afstand van minimaal 12 zeemijl (de grens van territoriale wateren) uit de kust. Ruim 22 kilometer dus.

Dat is geen wet van Meden en Perzen, maar een beleidsafspraak die gemaakt is na de aanleg van het eerste windmolenpark voor de kust van Egmond door Shell en Nuon. Dit park, OWEZ genaamd, ligt op 10 kilometer en is vanaf het strand goed zichtbaar. Wat veel kritiek van de kustbewoners en toeristen opleverde. Sinds 2005 zijn de territoriale wateren „beleidsmatig verboden gebied”, zoals een van de betrokkenen het uitdrukt.

Het Prinses Amaliapark dat vervolgens in opdracht van Eneco werd aangelegd ligt op 23 kilometer uit de kust. Ook het windpark Luchterduinen dat binnenkort eveneens in opdracht van Eneco wordt aangelegd voor de kust van Noordwijk, ligt op 23 kilometer. Maar de twaalfmijlsgrens van de territoriale wateren is niet langer heilig.

Nederland loopt ver achter bij de rest van Europa als het gaat om duurzame energie. Gemiddeld is het aandeel duurzame energie in de elektriciteitsproductie in Europa ruim 12 procent. Er zijn uitschieters: zo haalt Zweden al 50 procent van zijn energie uit duurzame bronnen. Maar er zijn ook landen die het veel slechter doen en daar is Nederland er een van. Het aandeel duurzame energie ligt in Nederland nog niet veel hoger dan 4 procent. Terwijl Europa de lat juist hoger wil leggen om te voldoen aan het streven om in 2050 uitsluitend nog duurzame energie te gebruiken.

Het kabinet Rutte II heeft de duurzaamheidsambitie opgeschroefd. Onder Rutte I was de doelstelling om in 2020 14 procent van de energie uit duurzame bronnen te halen. Dat zou voor eenderde deel uit windenergie moeten komen, zowel op land als op zee. Om dat te bereiken zou er op land voor 6.000 megawatt (MW) aan windenergie moeten worden geïnstalleerd, en op zee nog eens 6.000 MW.

In het jongste regeerakkoord is die doelstelling opgehoogd naar 16 procent, hoewel onlangs juist is vastgesteld dat die 6.000 MW op land met alle bestaande plannen niet gehaald gaat worden. En op zee al helemaal niet, zolang de hier opgewekte elektriciteit twee tot drie keer zo duur is als de stroom die uit windmolens op land komt. De grote vraag is dus waar die extra 2 procent vandaan moet komen?

Een meerderheid van de Tweede Kamer vindt nu dat er onderzoek moet komen naar de mogelijkheden voor aanleg van windmolenparken dichter onder de kust. Daar kun je sneller en goedkoper bouwen dan verder weg op zee. De gevreesde horizonvervuiling weegt niet op tegen het landsbelang, zegt het Tweede Kamerlid Jan Vos (PvdA).

Vos zal minister Henk Kamp van Economische Zaken (VVD) aanstaande dinsdag bij het begrotingsdebat vragen om de mogelijkheden voor zogeheten nearshore windenergie te onderzoeken en zo snel mogelijk actie te ondernemen. „De PvdA wil prioriteit voor nearshore”, aldus Vos.

Zijn oproep kan in de Kamer op een meerderheid rekenen. Naast de regeringspartijen wil ook het CDA dat er vaart wordt gemaakt. Agnes Mulder (CDA) noemt 2013 „het jaar van de waarheid”. Zij eist van het kabinet een „routekaart” hoe het de doelstellingen van 2020 denkt te bereiken. „En daarbij moeten alle alternatieven worden bekeken, inclusief nearshore”. Beide Kamerleden wijzen erop dat de aanleg van windmolens op land steeds meer maatschappelijke weerstand oproept. Daardoor zal het moeilijk zijn hier nog meer duurzame energie vandaan te halen dan al gepland is.

Vanaf komende week staat near-shore dus op de agenda. Vos zal minister Kamp om concrete toezeggingen vragen. De PvdA stelt drie zaken aan de orde: het vergunningenbeleid, de subsidieregelingen en de aanleg van zogeheten stopcontacten op zee. Dat laatste gaat om de aanleg van een centraal systeem waarop windmolenparken kunnen worden aangesloten zodat er niet telkens aparte kabels van de parken naar de kust hoeven worden getrokken.

Het antwoord van minister Kamp hoeft niet lang op zich te laten wachten. Op zijn ministerie is al een projectteam bezig met onderzoek naar de mogelijkheden van nearshore. Ook in het ministerieel overleg tussen Kamp en zijn collega Melanie Schultz van Haegen (Infrastructuur en Milieu, VVD) staat de kwestie al enige tijd op de agenda. De belangrijkste vraag lijkt te zijn of het bouwen dichter onder de kust, ruimtelijk haalbaar is. Want de zee lijkt leeg maar heeft tal van belangrijke functies, bijvoorbeeld voor scheepvaart en zandwinning.

In het buitenland is dat in ieder geval wel zo, stelt Hans Rijntalder van Pondera Consult. In de ons omringende landen worden in rap tempo windparken aangelegd binnen de territoriale wateren. Pondera heeft berekend dat de 30 bestaande en minstens even zo veel geplande windmolenparken in Europa gemiddeld slechts 7 kilometer uit de kust liggen.

Volgens onderzoek van Pondera en specialisten van het adviesbureau Ventolines zou windenergie op 10 kilometer uit de kust ongeveer een kwart goedkoper zijn dan windenergie die op grotere afstand wordt gewonnen. De kabellengtes naar de kust zijn korter, de fundaties minder bewerkelijk door de beperktere waterdiepte, en het onderhoud is veel goedkoper omdat er minder ver hoeft te worden uitgevaren. Een lagere kostprijs is van direct belang voor de aanleg en exploitatie, ook omdat binnen de huidige subsidiestructuur alleen goedkopere duurzame energie op subsidie kan rekenen.

Pondera stelt voor om drie gebieden aan te wijzen voor nearshore op een afstand van 10 kilometer: voor de kust van Zeeland, voor Egmond (waar nu al het OWEZ-project ligt) en ten noorden van Ameland en Schiermonnikoog. Op deze plekken zou de hinder minimaal zijn voor het scheepvaartverkeer, de zandwinning maar vooral ook voor de strandganger. Pondera schrijft: „Op een dergelijke afstand is een windturbine overdag ruwweg de helft van de tijd zichtbaar. Als de turbines zichtbaar zijn, ervaren de meeste mensen dat niet als heel dichtbij”.

Beleidsmakers en industrie hebben haast. Om in 2020 voldoende windenergie van zee te halen, moeten nu knopen worden doorgehakt. Een gemiddeld windmolenproject kost 7 jaar, van vergunning tot productie. „Om de nearshore mee te laten tellen in 2020 lopen we eigenlijk al een jaar achter”, zegt consultant Rijntalder.

Nearshore zou een logische keuze zijn, beaamt Ton Hirdes, directeur van de Nederlandse Windenergie Associatie (NWEA). Maar dan moet er inderdaad snel besloten worden. De industrie moet zich kunnen voorbereiden. „Anders is er straks niet voldoende materieel om het werk te kunnen uitvoeren”. Hij wijst erop dat er sowieso al een stuk of 10 windmolenprojecten lopen in de Nederlandse economische zone, verder op zee. Al zijn die op dit moment financieel moeilijk uitvoerbaar.

Dat de kustgemeenten niet erg enthousiast zullen zijn over de mogelijkheid dat er windmolens verschijnen aan de horizon, beseffen alle betrokkenen. Daarom benadrukt Agnes Mulder (CDA) dat de locatiekeuzes die gemaakt worden „vooral goed moeten worden afgewogen”. Ook Hans Rijntalder van Pondera is zich ervan bewust dat de kwestie gevoelig ligt: „Sentimenten leiden snel tot weerstand.” De overheid zou zich daarom volgens hem moeten inspannen om alle betrokkenen vanaf het eerste moment te laten meepraten.