Geen noodlot, maar toeval

Een zomerse scène nabij Trondheim, Noorwegen. Een vader maakt een uitstapje met zijn zesjarige zoon Ole. Terwijl vader Viktor op het terras van het zomerhuisje nog even een glas whisky drinkt, rent Ole alvast naar het nabijgelegen meertje, om te gaan zwemmen. Een kwartier later wandelt Viktor ook naar het water. Om er dan achter te komen wat er is gebeurd. Ole is onder water geraakt. Ole kan niet meer tot leven worden gewekt. Zijn vrouw maakt hem bittere verwijten. Het kind kon dan wel goed zwemmen en zwom wel vaker alleen, maar waarom ging hij niet gewoon mee? Waarom moest hij zonodig eerst whisky drinken? Het huwelijk loopt na veel grimmigheden op de klippen.

Ik vat hier de intrige samen die Pieter Toussaint in zijn roman Gezichtsverlies tussen andere episoden door verspreidt. Pas op de laatste bladzijde weten we hoe alles zich heeft toegedragen. Misschien lijkt het nu of ik hier het hele boek al weggeef, maar zo is het niet. Het draait in Gezichtsverlies, net als in De kunst van het kompaslezen (2007), zijn vorige roman, veel meer om de vragen die een pijnlijke gebeurtenis oproept, dan om de gebeurtenis zelf.

De charme van deze korte roman, die wel wat weg heeft van een Krimi, zit voor een deel in de wat knoestige stijl en de droge manier van vertellen. Toussaints hoofdpersoon is geen vlotte prater, zo blijkt uit de conversatie die hij met iemand voert. ‘Als we zwijgen’, zo staat er, ‘is er alleen de stem van de man op de tv. De beurzen worstelen zich door de dag.’

De dood van Ole wordt in een breder verband geplaatst – dat maakt Gezichtsverlies interessant. Bij de verdrinking van een kind wijst men meteen naar een ouder die wel niet goed zal hebben opgelet. Bij overleden ziekenhuispatiënten wijst men al gauw naar de verpleging, zeker als er in korte tijd verschillende patiënten overlijden.

We maken hier kennis met verpleegkundige Anne L., die aansprakelijk wordt gesteld voor 27 ‘incidenten’, waarvan twaalf met dodelijke afloop. Viktor raakt als hoogleraar in de statistiek betrokken bij de rechtszaak tegen haar. Omdat er geen direct bewijs is, moet hij berekenen hoe groot de kans is dat zij toevallig aanwezig was bij de incidenten. Als Anne L. ook nog ‘Engel des Doods’ wordt genoemd, weten we genoeg.

Hier vinden we een literaire verwerking van de gang van zaken rond de veroordeling van de Haagse verpleegkundige Lucia de B. Zij werd in 2010 na 6,5 jaar gevangenisstraf weer vrijgesproken omdat geen van de haar ten laste gelegde moorden kon worden bewezen. Ook bij haar rechtszaak werd indertijd een statisticus ingezet die na veel duister rekenwerk uitkwam op een kans van 1 op 34 miljoen dat zij toevallig aanwezig was geweest bij de sterfgevallen. Zij moest ze, kortom, wel op haar geweten hebben. Later werd er een nieuwe berekening gemaakt en kwam er een veel kleinere kans, van 1 op 9, uit de bus.

Dit zijn ook de getallen waar Toussaints hoofdpersoon op uitkomt bij de Noorse verpleegkundige, na al even ondoorzichtig rekenwerk. Daardoor kan zij in elk geval niet op statistische gronden worden veroordeeld voor haar aanwezigheid bij de sterfgevallen. Zo draagt hij zelf, meent hij, ook geen morele schuld, omdat hij er juist even níet bij was toen zijn zoontje verdronk.

Dat lijkt ook meteen de grote slotsom van Gezichtsverlies: veel dingen in het leven berusten op toeval en willekeur en zijn dus niet te verklaren of van een diepere betekenis te voorzien. Kinderen verdrinken soms zomaar en zieke patiënten gaan soms zomaar dood.

Je zou dus kunnen zeggen dat Toussaint met zijn roman de pijnlijke geschiedenis rondom de ten onrechte veroordeelde Haagse verpleegkundige weer rechtzet, zij het ook op een wat tegendraadse manier. Maar hij gooit ook meteen weer roet in het eten door Anne L. te voorzien van nogal zweverige motieven. Net als neuroloog Jansen Steur lijkt Anne L. te zijn uitgerust met een ‘helperssyndroom’. Zij gelooft niet in het toeval. Zij meent onderdeel te zijn geweest van een grotere opzet waardoor zij de stervenden ‘iets mee kon geven’. Er was in haar ogen een duidelijke bedoeling in het spel. ‘Niets gebeurt zomaar.’

En zo blijft de lezer van Gezichtsverlies achter met een hoofd vol verwarrende gedachten. Wij bevinden ons ergens tussen het blinde toeval en een masterplan. Nu dus maar hopen dat er in ons bijzijn nooit ‘zomaar’ iemand doodgaat.