Er is één wens: wegwezen

‘Marseille als eindstation van een massale vlucht, die tot de ondergang of, als je geluk had, naar overzee leidde, is in diverse boeken van niet geringe literaire betekenis beschreven, bijvoorbeeld in Transit van Anna Seghers’, zo schreef Hans Sahl in zijn schitterende, bijna twintig jaar geleden vertaalde autobiografie Memoires van een Moralist. De Duitse schrijver-journalist Sahl kon het weten, want hij was bevriend met Seghers en over de situatie van de vluchtelingen in Zuid-Frankrijk heeft hij vaak geschreven, in zijn memoires en ook in zijn roman Die Wenigen und die Vielen (1959).

Marseille, Nice en andere plaatsen in Zuid-Frankrijk waren rond 1940 geliefkoosde toevluchtsoorden voor intellectuele Duitse ballingen, opgejaagd door de nazi’s. Parijs was duurder en het klimaat aan de Middellandse Zee aangenamer, en vooral nadat Noord-Frankrijk was bezet probeerden velen de zone libre te bereiken. Marseille en omgeving werd ‘de laatste etappe van een vlucht die geen andere toevlucht meer toeliet dan de zee die zich eindeloos voor ons uitstrekte en ons gebiedend een halt toeriep,’ aldus Sahl in zijn autobiografie.

Sahl en Seghers konden vanuit Marseille bijtijds ontsnappen aan de naziterreur, net als Heinrich Mann, Lion Feuchtwanger of Franz Werfel. Anderen zoals Walter Benjamin en Ernst Weiß pleegden zelfmoord, en Joseph Roth, die ook een tijd in Marseille woonde, dronk zich dood in Parijs. Anna Seghers vluchtte in 1941 naar Mexico. Nog tijdens de overtocht begon ze aan Transit, dat drie jaar later in het Spaans en Engels verscheen en pas in 1948 in het Duitse origineel.

In een nieuwe, voortreffelijke vertaling van Elly Schippers is deze roman nu ook hier verschenen – nadat er ruim dertig jaar geleden al een stroeve eerste poging werd ondernomen. Het is het tweede belangrijke werk van Seghers, nadat vorig jaar haar beroemdste roman verscheen: Het zevende kruis (1942), over de vluchteling Georg Heisler die in 1937 met zes lotgenoten uit een Duits concentratiekamp ontsnapt en als enige uit handen van de Gestapo blijkt.

Marseille

In zekere zin is Transit de voortzetting van Het zevende kruis, dat eindigt als de hoofdpersoon per schip en met vervalste papieren Duitsland kan verlaten. Transit begint, ook in 1937, als de hoofdpersoon, een 27-jarige Duitse monteur, ’s nachts de Rijn overzwemt en toevlucht zoekt in Frankrijk. Eerst verblijft hij in interneringskampen, later in Parijs en uiteindelijk – we zijn dan in 1940 – bereikt hij de havenstad Marseille. Daar speelt het grootste deel van de handeling zich af, verteld in één lange monoloog aan een anonieme toehoorder.

De verteller, een eveneens naamloze, eenzame en zwaarmoedige man (‘De hele aarde was onbehaaglijk’) heeft in Parijs een koffer met manuscripten in ontvangst genomen. Deze behoorde toe aan de schrijver Weidel, die meteen bij het binnenrukken van de Duitse troepen zelfmoord pleegde (Ernst Weiß stond model). In Marseille ontmoet hij ook Weidels weduwe, die niet op de hoogte is van de dood van haar man en wanhopig naar hem op zoek is. Gaandeweg raakt de verteller verliefd op de mooie weduwe. Tussen de bedrijven door is hier sprake van een tragische en (zoals later blijkt) hoogst ongelukkige liefdesgeschiedenis.

Transit ontleent zijn grote kracht vooral aan de sfeertekening van het opgejaagde emigrantenmilieu. De handeling speelt zich af in de wachtkamers en visumafdelingen van consulaten, in armoedige en overvolle havencafés of hotels. De materiële nood onder de vluchtelingen is groot; brood en vlees zijn op de bon, men staat in de rij voor sardinenblikjes. Overal gonst het van de geruchten over vertrekdata van schepen, adressen om aan visa te komen, nieuwe transitlanden of bestemmingsoorden. ‘In die tijd had iedereen maar één wens: vertrekken. Iedereen had maar één angst: achterblijven.’

Kleine tragedies, meestal verteld in kort bestek, maken het leed aanschouwelijk. Een dirigent uit Praag, die op het nippertje kon ontsnappen aan de nazi’s en per se naar Venezuela wil, sterft op een consulaat door de opwinding wegens een ontbrekende pasfoto. Een eenzame Spanjaard, wiens kinderen tijdens de burgeroorlog zijn gestorven en wiens vrouw op de vlucht naar Frankrijk overleed, staat aan de rand van zelfmoord.

Onbaatzuchtigheid

Solidariteit en onbaatzuchtigheid zijn misschien wel de sleutelwoorden in Transit. Vooral de verteller, een idealistische (vermoedelijk communistische) man die uit een Duits concentratiekamp is ontsnapt, laat een grote hulpvaardigheid zien, een vermogen ook om troost te bieden. Soms identificeert hij zich met zijn medevluchtelingen. Bijvoorbeeld met zijn jeugdvriend Heinz, die in 1935 door de nazi’s halfdood werd geslagen en nu op één been door Marseille zwerft. De verteller doet er alles aan om hem een visum voor Amerika te bezorgen. Gaandeweg krijgt hij ook steeds meer belangstelling voor het lot van de gestorven Weidel, die blijkbaar door enkele egoïstische collega-schrijvers (en misschien zelfs door zijn vrouw) in de steek is gelaten.

Of Transit de beste roman van Anna Seghers is, blijft een moeilijk te beantwoorden vraag. Voor mij is Het zevende kruis met zijn schitterende bijfiguren en wisselende perspectieven, nog net iets geraffineerder, een tikje hoopvoller ook. Maar deze romans moeten eigenlijk samen gelezen worden, als tweeluik. Zeker is dat ook Transit grote indruk maakt. Om nog eens Sahl te citeren: ‘Deze roman behoort tot het onuitwisbare humanitaire erfgoed van de 20ste eeuw.’