De troubadour uit het klooster

‘The Renaissance Mensch’ maakt keer op keer een comeback. Zie daar de rusteloze zanger/dichter Leonard Cohen, versmaad maar nu, bijna 80, wederom wereldwijd bewonderd.

NEW YORK, NY - DECEMBER 18: Musician Leonard Cohen performs at Madison Square Garden on December 18, 2012 in New York City. Mike Lawrie/Getty Images/AFP == FOR NEWSPAPERS, INTERNET, TELCOS & TELEVISION USE ONLY == AFP

Aan negatieve kwalificaties heeft het de Canadese zanger, dichter en romanschrijver Leonard Cohen nooit ontbroken: slaapkamerbard, boudoirdichter, gitarist van niet meer dan drie akkoorden. Koning van de neuzelpop.

Deze zomer nog trad de bijna tachtigjarige Cohen (Montreal, 1934) op in het Amsterdamse Olympisch Stadion tijdens de Old Ideas World Tour 2012. De setlist van dinsdag 21 augustus, telde 29 songs. Die van een dag later 31. Tegen middernacht verlieten de duizenden bezoekers het stadion, jong en oud. Ze waren getuige van een concert van ‘buitenaardse schoonheid’, zoals kranten schreven.

Op miraculeuze wijze is Leonard Cohen steeds herrezen. In de jaren zeventig en tachtig leek hij vergeten, en opeens was hij daar weer met het vitale, zelfs swingende album I’m Your Man (1988). In de biografie die de Amerikaanse muziekjournalist Sylvie Simmons aan Cohen wijdt, toepasselijk getiteld I’m Your Man, krijgen we een nauwgezet en indringend beeld van Cohens rise and fall. Simmons schrijft voor muziekbladen als Rolling Stone en Mojo. Haar bewondering voor Cohen is groot, maar ze vervalt niet in heiligverklaring. Met verfijnde wellust citeert ze de vele negatieve woorden die aan Cohens werk zijn gewijd, niet alleen aan Cohen als zanger en dichter, maar ook als romanschrijver van het voor velen onleesbare Glorieuze verliezers (Beautiful Losers, 1968). Bij verschijning van Cohens debuutalbum Songs Of Leonard Cohen in de winter van 1967, ja, het album dat opent met ‘Suzanne’, schreef The New York Times dat Cohen ‘klonk als een bedroefde man die zijn zelfmedelijden en eenzaamheid uitbuit’. Hij kreeg een plaats ‘ergens tussen Schopenhauer en Bob Dylan’.

Met dit eerste album had Cohen de sprong gemaakt van dichter naar zanger. Hij was de dertig gepasseerd, wat voor een popmuzikant desastreuze gevolgen kan hebben. Hij was, zoals Simmons schrijft, ‘stokoud’ en de hitte van de ‘Summer of Love’ was nauwelijks bekoeld, of daar kwam Cohen met zijn sombere, gekwelde teksten.

In de literaire kringen van Montreal en New York genoot hij al enige bekendheid als een poète maudit die, geheel in stijl van Rimbaud, zich verzadigde aan seksuele hunkering, verlangen en wanhoop. Simmons geeft een mooie beschrijving van de foto op de hoes van de Songs: een doodernstige man met onpeilbaar diepe ogen die veel hebben gezien. De foto, met een zwart rouwrandje, is gemaakt in een pasfotohokje in een metrostation. Simmons noteert: ‘Het had ook de foto van een overleden Spaanse dichter kunnen zijn.’

Bob Dylan

Het was duidelijk: Cohen paste niet in zijn tijd, al bewoog hij zich in de artistieke kringen met sterren als Lou Reed, Judy Collins, Andy Warhol, zangeres Nico en tal van anderen. Met Bob Dylan sloot hij een tamelijke afstandelijke vriendschap. Mooi beschreven is de eerste ontmoeting tussen Dylan en Cohen. De zangers wisselen ervaringen uit over de tijd die ze besteden aan het schrijven van een song. Bob Dylan: nog geen tien minuten, soms tijdens een taxirit. Waarop Cohen repliceert: vele jaren.

Cohen bleef schaven en polijsten aan zijn liedteksten en gitaarbegeleiding. De opname van Songs duurde maanden. In het archief van platenmaatschappij Columbia Records in New York ligt het allemaal vast. Simmons geeft een precieze reconstructie. Wat Cohen graag wilde, was dezelfde sound als van de badkamer in het Chelsea Hotel in New York waar hij zijn eerste liederen zong.

De biografie volgt getrouw Cohens leven. Hij groeide op in een Joods middenklassegezin in Montreal en was voorbestemd te werken in het goedlopende kledingbedrijf van zijn vader. Maar de jonge Cohen ontwikkelde zich snel tot dichter die zich bediende van nadrukkelijk Joodse symboliek, zoals te horen is in liederen als ‘Story Of Isaac’ en ‘The Stranger Song’ vol bijbelse verwijzingen.

Biografe Simmons weet de raadselachtigheid van Cohens mythische associaties en soms bizarre redeneringen subtiel te ontrafelen. Ze heeft een goed gevoel voor sprekende details. Zo kopte Playboy boven een interview met Cohen in 1968 met ‘Renaissance Mensch’. Hiermee werd gedoeld op Cohens mysterieuze vermogen om telkens uit een dal te voorschijn te komen als een wedergeboorte, een ‘renaissance’. Zo leek de zanger in de jaren tachtig van de wereld verdwenen, om plots een verrassende rentree te maken. Ook staat ‘renaissance’ in dit verband voor de tijdloze uitstraling van Cohen, zowel muzikaal als uiterlijk.

Rusteloosheid

Simmons analyse van ‘The Stranger Song’ slaat de spijker op zijn kop: het gaat over een vreemdeling, een Jood in ballingschap, een troubadour die nergens is geworteld, een moordenaar op de vlucht of God zelf. Nog steeds, sinds 1967, zingt Cohen dit lied. Het blijkt de sleutel tot zijn oeuvre. Als iets uit deze biografie naar voren komt is het de onvoorstelbare rusteloosheid van zijn leven, afgezien van de jaren die Cohen doorbracht in het boeddhistische klooster hoog op de verlaten top van Mount Baldy bij Los Angeles. Daar kwam hij tot inkeer, creativiteit en bezinning.

En dan neemt zijn levensloop een dramatische wending: vlak na zijn 70ste verjaardag blijkt zijn ex-vriendin en zaakwaarneemster Kelley Lynch al Cohens pensioengeld verdonkeremaand te hebben. De zanger is bankroet. Er is maar één oplossing: weer optreden. Cohen begint aan een wereldwijde tournee en raakt zelfs verslaafd aan de reizende groep muzikanten, achtergrondzangeressen en roadies. Er dient zich een nieuw leven aan. Daar komt nog meer bij: opeens is hij cool en krijgt zelfs het epitheton de ‘toekomst van de rock ’n roll te zijn’. Vooraanstaande popzangers als John Cale, Iggy Pop en Nick Cave blijken al jaren in het geheim Cohen-fans.

Een van de leukste zinnen uit deze mooie, toegewijde biografie staat tussen haakjes. Dat geeft de noodzakelijke, lichte ironie aan waarmee Simmons haar boek heeft geschreven. De Australische zanger Nick Cave raakte geïnspireerd door Cohens extreem duistere album Songs of Love and Hate (1971). In zijn tienerjaren hoorde hij het voor het eerst bij een vriendinnetje op haar kamer in een stadje in Australië. Simmons noteert subtiel: ‘(Veel mannen hebben op die manier met Leonards muziek kennisgemaakt.).’ Cave was een van de eersten die een lied van Cohen coverden, ‘Avalanche’. Zo droeg hij, ongewild, bij aan de zoveelste revival van de ‘Renaissance Mensch’.

    • Kester Freriks