Aristoteles in het Hollandse huis?

Huiselijk en gezellig is het Hollandse interieur. Is daar de 17de-eeuwse schilderkunst debet aan? Het ligt veel ingewikkelder, zo blijkt.

Het is geen toeval dat een van de belangrijkste Nederlandse romans van de 20ste eeuw, Gerard Reves De avonden, begint en eindigt met verontrustende schetsen van het huiselijk leven. De ouderlijke woonstede, met centraal de huiskamer, staat symbool voor de dood door ‘gezelligheid’ waar Frits van Egters zich aan tracht te ontworstelen.

Maar waar kwamen de ‘Hollandse’ gezelligheid en huiselijkheid, waar Reves generatie tegen revolteerde, nu precies vandaan? Het antwoord lijkt voor de hand te liggen. Kijk maar hoe prominent huiselijke taferelen aanwezig zijn op werken van Nederlandse schilders uit de Gouden Eeuw. Getuigt dat niet van het belang dat Nederlanders van oudsher hechten aan een proper en geordend huishouden? Zingen de ordelijke, ingetogen interieurs in het werk van bijvoorbeeld Pieter de Hooch niet de lof van het egalitaire burgerdom?

Voor mensen die zo wonen zijn eenvoud en zichtbare netheid een deugd. Ook de Nederlandse traditie van ‘functionele’ architectuur en onze preoccupatie met praktische zaken, zoals lenzen slijpen, kaarten maken en handeldrijven, sluiten hierop aan. Het simplistisch moralisme van Vadertje Cats past eveneens precies in het beeld dat we van de Hollandse huiselijkheid hebben, als een baken tegen verloedering en wanorde – al vinden we tegenwoordig dat Cats het protestantse strijkijzer op de kreukels van het leven plaatste en er alle grilligheid en speelsheid uitstreek.

Maar hebben De Hoochs interieurs ook werkelijk iets met de verstikking uit De avonden te maken? Kunsthistorica Heidi de Mare vindt van niet. Ze beantwoordt de vraag althans ontkennend in haar studie naar de rol van het beeld in de Gouden Eeuw aan de hand van het thema ‘het huis’. In Huiselijke taferelen onderwerpt ze de schilderijen van De Hooch, de architectuurtheorie van Simon Stevin en Jacob Cats’ poëtisch/emblematische traktaat over het huwelijk aan nieuwe interpretaties. Daarmee wil ze het huis in de 17de-eeuwse cultuur van zijn 19de-eeuwse kneuterigheid ontdoen, en die tegelijkertijd verbinden met zowel de klassieke oudheid als de internationale cultuur van die tijd in de ons omringende landen.

De Mares uitgangspunt dat de deductie van het ‘nationale karakter’ uit de 17de eeuw op een grove cultuurhistorische vertekening berust, is niet baanbrekend. Diverse disciplines hebben de afgelopen decennia aangetoond dat het concept ‘typisch Nederlands’ niet zozeer uit de 17de als wel uit de 19de eeuw stamt, toen in Nederland en andere westerse landen ‘nationaliteit’ is gevormd (en misvormd).

Postzegelformaat

Toch bieden haar suggesties voor de herziening van het beeld van de 17de-eeuwse cultuur nieuwe aanknopingspunten – en zorgen ze in ieder geval voor een hoogst onconventioneel boek. Dit geldt zeker voor haar manier van illustreren: beelden met thematische overeenkomst worden op postzegelformaat tot lange reeksen gemaakt, waardoor de lezer gedwongen wordt niet op de gebruikelijke, studieuze en ‘lezende’ manier, maar op een heel moderne, als het ware zappende manier naar het historische materiaal te kijken.

Dat spoort met De Mares streven om de relatie tussen woord en beeld in de 17de eeuw op een nieuwe manier te zien. We moeten schilderijen niet alleen beschouwen als de dragers van een boodschap; als verbeelde ‘tekst’. Dat doen we wanneer we bijvoorbeeld een stilleven zien als drager van een boodschap over de vergankelijkheid van al het aardse. Schilderijen zijn, zo stelt zij, ook opeenhopingen van verf op een plat vlak waaruit een illusie van de werkelijkheid kan voortkomen. Zo vormen zij de weerslag van wat De Mare natuurkennis noemt, en volgens haar moet de beeldtraditie rond het 17de-eeuwse huis daarom vooral vanuit dat perspectief van praktische kennis worden benaderd. De doorkijkjes van De Hoochs interieurs zijn dan niet primair een in kaart brengen van de burgerlijke orde, maar een praktische toepassing van de doorzichtskunde van de schilder, waarmee hij driedimensionale verschijnselen slechts weergeeft, en niet interpreteert. Bovendien is deze verbeeldingstechniek niet uniek voor de 17de eeuw, maar een lange erfenis van de schilderkunst vanaf de vroegste Renaissance, en tot op zekere hoogte zelfs stammend uit de oudheid, want teruggaand op het empirisme van Aristoteles.

Ook bij de behandeling van het werk van haar andere protagonisten, Cats en Stevin, benadrukt De Mare telkens hoe belangrijk daarin traditionele methoden, technieken en kennis zijn. Zo wordt het mogelijk om De Hoochs interieurs op een hoogst ongebruikelijke manier met Cats’ moralisme te verbinden, namelijk als ‘voorbeeld van Aristotelisch denken’, van de traditie van natuurkennis die bij Aristoteles was begonnen. Ook Cats was een aristotelische filosoof die nadacht over de oikos, het huishouden, als microkosmos voor de polis, de gemeenschap. Zijn traktaat over het huwelijk verwerkt dan ook antieke concepten en poëtische voorbeelden tot een theorie over de Gulden Middenweg, die eindigt in het huis. Simon Stevin is niet zozeer wegbereider voor functionalisme in architectuur, als wel iemand die, zoals in de oudheid heel gewoon was, de eigenschappen van een gebouw als expressie zag van de geestelijke gesteldheid van de eigenaar.

Zo slaat De Mare in één klap twee vliegen die een beschouwing van de 17de-eeuwse cultuur in Nederland met ergerlijk gezoem verstoren: de aanname dat in de Renaissance, en in het bijzonder in de Gouden Eeuw, de moderne tijd in Nederland werkelijk is begonnen, en de idee dat Nederland in dit proces een bevoorrechte positie inneemt.

Onophoudelijk gehamer

De Nederlandse cultuur blijkt in haar beschouwing niet alleen deel uit te maken van ontwikkelingen in breder Europees verband, maar ook zijn die ontwikkelingen niet revolutionair nieuw; ze bouwen namelijk voort op grondstromen uit de antieke filosofie van met name Aristoteles. Huiselijke taferelen corrigeert overtuigend een aantal gemeenplaatsen over de Gouden Eeuw en het spoort aan tot verder denken over ons cultureel verleden en over onszelf. Toch kleven er ook grote bezwaren aan het boek. Het is vaak niet helder geformuleerd, te lang, en bevat flink wat historische blinde vlekken. De belangrijkste hiervan is het onophoudelijk gehamer op de ‘aristotelische natuurkennis’ als basis van de Nederlandse 17de-eeuwse cultuur: in de praktische analyse van de natuur wil De Mare immers een erfenis van Aristoteles zien die fundamenteel verschilt van het abstracte en transcendente platonisme. Daartoe moet zij zich in allerlei bochten wringen om de kritische houding ten aanzien van Aristoteles te relativeren die deze periode nu juist karakteriseert.

De aristotelische ‘connectie’ wordt als culturele continuïteit nergens in het boek aannemelijk gemaakt – dus heeft het ook weinig zin de Gouden Eeuw aristotelisch te noemen. Daar waar Aristoteles’ invloed wel duidelijk aanwezig lijkt, zoals in Cats’ lof van de Gulden Middenweg, is die invloed verlopen via Latijnse auteurs als Horatius en zelfs Lucretius. Voor het begrip van de Gouden Eeuw is hun werk dan ook veel belangrijker dan dat van Aristoteles.

De receptie van een klassieke oudheid die De Mare terecht van wezenlijk belang acht voor de Gouden Eeuw, is veel complexer verlopen dan Huiselijke taferelen suggereert. In ieder geval is die polemiek van De Mare met Plato achterhaald. Al vanaf de tweede helft van de 15de eeuw werden structurele pogingen ondernomen om het denken van Plato en Aristoteles met elkaar te verzoenen.

Sterker nog, juist het neoplatonisme uit het 15de-eeuwse Florence komt tot de slotsom dat het ook een religieuze bezigheid is om die wereld te beschouwen als de reflectie van zijn Schepper, omdat God, ‘Het Ene’, in alles aanwezig is. Dit concept van de goddelijke immanentie in de wereld loopt vervolgens als een rode draad door de cultuur, en heeft een wezenlijke rol gespeeld in de legitimatie van het natuurvorsen dat tot de revolutie van de natuurwetenschappen heeft geleid. In dat discours hoort ook het 17de-eeuwse huis, en al hangt De Mare er het verkeerde (aristotelische) label aan, het is een verdienste dat ze ons daar de ogen voor opent.

    • David Rijser