‘Als het mislukt, is kunst op zijn best’

De gevierde dichter Ben Lerner kwam met een debuutroman, die alom geprezen is. Hoofdpersoon is een dichter die sprekend op hem lijkt. ‘Hij is een dubbelganger die in andermans hoofden bestaat.’

Dichter-schrijver Ben Lerner: ‘De roman is altijd zelfreflectief geweest, al sinds Don Quijote’ Foto Dirk-Jan Visser

Voor aanvang van het interview vertelt Ben Lerner (1979) dat hij de avond ervoor in een tv-opname zat, toen bleek dat er iets mis was met zijn microfoon en ze opnieuw moesten beginnen. „Ik beantwoordde vragen die de presentator al had gesteld, en opeens voelde het alsof ik acteerde en we een script volgden. Een raar, maar interessant gevoel.”

Lerner, auteur van drie veelgeprezen dichtbundels, was altijd al gefascineerd door de gemaaktheid van onze ervaringen en identiteit. In zijn semi-autobiografische debuutroman Vertrek van station Atocha (Leaving the Atocha Station) zoekt Adam Gordon, een dichter die met een beurs in Madrid verblijft, steeds wanhopiger naar een authentieke kunstervaring, naar „datgene wat artistieke media van massamedia onderscheidt,” zoals Lerner het uitdrukt. Het verhaal speelt zich net als Lerners poëzie af op de grens tussen kunst en werkelijkheid, en is op die manier herkenbaar voor iedereen die in ons bij vlagen onwerkelijke tijdperk leeft. De apathische, hysterische, hyperzelfbewuste en zelfdestructieve Gordon begint in zijn nieuwe omgeving, waar hij de taal niet spreekt, aan een virtuoos spel met zijn eigen identiteit. Maar wie is Ben Lerner?

In uw roman heeft u ervoor gekozen om autobiografische elementen toe te voegen en zo de lezer de verwarren. Maar is dat niet ook verwarrend voor uzelf?

„Ik denk dat alle proza autobiografisch is. Daarom wilde ik dat letterlijk toepassen en de vraag wat echt is ook stellen in relatie tot de auteur. Ik koos dus bewust voor een element van verwarring, daar houd ik van. Het is niet zo dat ik het onderscheid tussen Gordon en mijzelf uit het oog verloren ben, maar ik kom nu met hem in aanraking als een soort dubbelganger die bestaat in andermans hoofden. Aanvankelijk heette de hoofdpersoon Ben Lerner. Ik heb dat veranderd, maar zou dat nu niet gedaan hebben. Dan had ik nog meer uit die spanning kunnen halen.”

U schrijft erg zelfbewust, citeert uzelf en leest boeken over literatuur. Bemoeilijken die dingen niet het intuïtieve schrijven?

„De roman is altijd zelfreflectief geweest, al sinds Don Quijote. Het gaat vaak over het schrijven van een boek of over het boek dat we aan het lezen zijn. Een belangrijk ding dat fictie kan doen, is ons bewust maken van andere ficties die ons leven binnendringen. Daarvoor moet je eerlijk zijn over je eigen creatieproces. Voor mij lopen rationele analyse en de irrationele intuïtie ook door elkaar. Ik ben fan van de denker Georg Christoph Lichtenberg, die zei dat het geheim van zijn genie was dat hij een bochel had, waardoor zijn hoofd en hart dicht bij elkaar zaten.”

De puur uit inspiratie scheppende kunstenaar is een mythe?

„Je kunt een idee niet rechtstreeks op een pagina gooien, schrijven is een kwestie van componeren. Het draait om verkenning, niet puur om beschrijving. Daarom moet je geen onderscheid maken tussen inspiratie en werk, tussen onderbewustzijn en bewustzijn, denken en gevoel. Je moet met dat alles aan de slag om erachter te komen wat er mogelijk is.”

Jonathan Franzen claimt dat je geen goed proza kunt schrijven als je een internetaansluiting op je werkkamer hebt. Adam Gordon zit veel online en een chatsessie met zijn vriend Cyrus vormt in zekere zin de kern van het verhaal. Hoe gaat u als schrijver om met de afleidende werking van het internet?

„Dat is moeilijk. Ik probeer wel eens offline te blijven, maar dan kan ik niet schrijven. Je kunt een zin googlen en zien hoe vaak die gebruikt is, of op Wikipedia een feit checken, waardoor het een belangrijk compositiemechanisme is. Maar ik kijk op internet ook naar stompzinnige onzin, of word afgeleid door vrienden die willen chatten. Intense focus en intense afleiding wisselen elkaar af. Het heeft dus zeker grote invloed op mijn schrijven, maar wat die invloed precies inhoudt weet ik niet.”

Gordon voelt afstand tot zijn ervaringen, omdat het steeds moeilijker is om in de mediasamenleving te onderscheiden wat echt is. Moeten we ons meer van informatie afsluiten?

„We denken nog steeds dat internet een bevrijdende en democratiserende werking heeft. Maar het biedt zoveel informatie dat het niemand nog iets kan schelen. Er gebeuren constant de vreselijkste dingen, maar het glijdt van ons af. Als er nu een Watergate-onthulling zou komen, zou het een onderdeeltje zijn van de nieuwsstroom. Vroeger zei men: kennis is macht. Maar nu realiseren we ons dat er een punt van verzadiging is. Je ziet dat veel mensen zich daartegen gaan verzetten. Kunst kan helpen om die verzadiging te doorbreken, met een nieuw soort informatie in een nieuw soort taal. In mijn poëzie speelde ik met woorden en dat probeer ik nu in proza. Romans hebben nog altijd een revolutionaire potentie, een verhaal kan je hele denken overhoop gooien.”

Zijn we niet juist te afhankelijk van taal voor onze identiteit?

„Er is geen alternatief. Er bestaat geen persoonlijkheid voordat er woorden zijn. Adam probeert zich te presenteren in een taal die hij niet goed beheerst en dat werkt komisch. Maar in zijn moedertaal werkt het net zo. Ik moet vaak denken aan die scène in Annie Hall, waarin Woody Allen en Diane Keaton een ongemakkelijk gesprek voeren en je in de ondertiteling ziet wat ze eigenlijk willen zeggen. Je zegt altijd te weinig en te veel, wat je zegt heeft altijd onbewuste connotaties. Je probeert vat te krijgen op hoe anderen jou begrijpen, maar daarin zul je altijd falen. Dat is komisch en tragisch, maar het zegt ook iets over ons mens-zijn: identiteit bestaat alleen in relatie tot anderen. Zelfs als er niemand in de buurt is, ontleen je je identiteit aan hoe je je door de taal beweegt. Als je taal verandert, verander je een identiteit, en dan verandert alles.

„De dingen die mij het gelukkigst maakten of juist uit het veld sloegen, draaiden altijd om woorden. Een vriend van mij, nota bene een schrijver, zegt altijd tegen me: je denkt te veel, je gebruikt te veel woorden, je moet meer gewoon leven. Maar ik weet niet wat dat betekent. Voor mij bestaat er geen leven buiten taal.”

U toont zich zowel sceptisch als idealistisch over de rol van kunst.

„Ik ben sceptisch over kunstwerken, maar idealistisch over de mogelijkheid van kunst an sich. Kunst is een manier om je iets voorbij deze wereld voor te stellen, maar kan nooit volledig in die nieuwe wereld bestaan. Het is daardoor altijd imperfect. Maar het is een mooie imperfectie, omdat je weet waar het naar streeft, en sommige kunst komt dicht in de buurt van perfectie.”

Zoekt u zelf die grenzen op?

„Ja, ik moet altijd beginnen met een onhaalbare ambitie. Het falen moet een onderdeel van mijn kunst zijn. Kunst faalt, maar heeft een sprankje hoop op iets hogers. Veel van mijn ideeën mislukken, en soms kies ik ervoor om die mislukking met de lezer te delen. Zoals in mijn verhaal ‘The Golden Vanity’, waarin de auteur verward raakt tussen het gebruik van de tegenwoordige en verleden tijd, of in Vertrek van station Atocha, als Adam gefrustreerd is over de onmogelijkheid om een ervaring oprecht naar tekst te vertalen. Veel kunst is op zijn best als het mislukt: een zanger wiens stem breekt door emoties, een gedicht dat stilvalt omdat het niet kan uitdrukken wat het wil zeggen. Ik wil streven naar meer en dan falen, en dat mijn mislukking een metafoor wordt voor datgene wat ik niet kon bereiken.”

Hoe kan fictie ons helpen in tijden van crisis?

„Het belang van romans is groter dan ooit. Onze politieke en economische realiteit is niets dan fictie. Wanneer we omringd zijn door verzinsels, kan een roman ons met een slimmer verzinsel de ogen openen en zo paradoxaal genoeg de realiteit aan ons tonen.

„Het is niet genoeg om te zeggen: ik voel me niet thuis in deze wereld. Academische zelfkritiek en grote wereldkennis worden vaak misbruikt als excuus om niet volwassen te worden. Dat is het probleem met de postmoderne ironie: we weten alles over de misstanden in de wereld, maar relativeren onze relaties, onze kunst, onze kracht kapot. Het mooie aan Adam is dat hij zo ironisch en relativerend is dat hij daarmee toch een soort authenticiteit bereikt. Uiteindelijk kan hij zich niet meer verschuilen achter zijn zelfbewustzijn en moet hij misschien wel accepteren dat hij een echte dichter is, en geen bedrieger.”

Ben Lerner: Vertrek uit station Atocha. Vertaald door Ronald Vlek. Atlas Contact, 208 blz. € 19,95

    • Rutger Lemm