Als een junk verslaafd aan intellect

Blijf trouw aan jezelf, wees oprecht. Dat credo spreekt helder uit Susan Sontags dagboeken (1964-1980). Zij hield zich daaraan.

USA. New York City. Halsman's studio. May 1967. The American writer Susan SONTAG. [lF][lF]Contact email: New York : photography@magnumphotos.com Paris : magnum@magnumphotos.fr London : magnum@magnumphotos.co.uk Tokyo : tokyo@magnumphotos.co.jp Contact phones: New York : +1 212 929 6000 Paris: + 33 1 53 42 50 00 London: + 44 20 7490 1771 Tokyo: + 81 3 3219 0771 Image URL: http://www.magnumphotos.com/Archive/C.aspx?VP3=ViewBox_VPage&IID=2K7O3R8UJ3U2&CT=Image&IT=ZoomImage01_VForm ©Philippe Halsman / Magnum Pho>

Als vijfjarige verklaarde Susan Sontag (1933-2004) tegen een huisgenoot dat ze de Nobelprijs ging winnen. ‘Ik wist dat ik erkenning zou krijgen’, schreef ze 28 jaar later in haar dagboek. De meeste kleuters weten niet eens wat een Nobelprijs is, laat staan dat ze de ambitie hebben er ooit één te krijgen. De briljante Amerikaanse critica, essayist en schrijfster lag van kinds af aan minstens tien jaar op haar leeftijdgenoten voor. Dat was al bekend uit Herboren, het eerste deel van de door haar zoon David Rieff bezorgde dagboeken, lopend van 1947 tot 1963.

Op haar vijftiende ging ze naar de universiteit, op haar zestiende voelde ze zich dankzij de ontdekking van haar homoseksualiteit seksueel en intellectueel ‘herboren’, op haar twintigste was ze getrouwd met professor Philip Rieff en moeder van een zoon, kort daarna zette ze een echtscheiding door.

Intussen had ze de wereld bereisd, heftige liefdesavonturen beleefd en schreef ze aan de lopende band baanbrekende essays. Op haar dertigste, wanneer Herboren eindigt, heeft ze bovendien haar eerste roman The Benefactor gepubliceerd en kan ze zich met recht romanschrijfster noemen, voor haar het hoogst bereikbare in het leven.

De onlangs verschenen dagboeken die de jaren 1964-1980 beslaan zijn zo mogelijk nog fascinerender dan die van het wonderkind uit Los Angeles dat als tiener haar alcoholische moeder ontvluchtte op zoek naar intelligente gesprekspartners. In Zoals de geest gebonden is aan het vlees zien we hoe haar ideeën voor haar essays, romans en films werden geboren. Op 22 mei 1965 noteerde ze een ‘Idee voor een roman over denken’. Die zou moeten gaan over een kunstenaar die nadenkt over zijn werk, een schilder of musicus. Geen schrijver, want dat had Nabokov al gedaan in Pale Fire. In de kantlijn krabbelde ze: ‘Een spiritueel project – maar gebonden aan het maken van een object (zoals de geest gebonden is aan het vlees).’

Opvallend aan dit tweede deel van haar nooit voor publicatie bestemde, meestal in telegramstijl opgetekende dagboeknotities, is Sontags consistentie. Altijd is ze het credo blijven naleven waarmee ze in 1947 haar meisjesdagboek begon: ‘Ik geloof dat de vrijheid om trouw aan jezelf te blijven het meest begerenswaardige ter wereld is, oftewel: oprechtheid.’

Trouw blijven aan zichzelf betekende ook dat ze zich wilde onderscheiden door haar intelligentie. Intelligentie was voor haar geen middel om iets te bereiken, maar een doel op zich. Zoals een junk op jacht is naar dope, zo joeg zij onvermoeibaar op briljante gedachtes en ideeën. Daartoe was ze, meestal met behulp van het pepmiddel dexamyl, dag en nacht bezig met het verslinden van onvoorstelbare hoeveelheden filosofische, historische en literaire werken, waarvan ze trouw lijstjes bijhield, zoals ze ook de talloze door haar bezochte voorstellingen en films registreerde. Alles wat ze opsnoof vond zijn weg naar klassiek geworden essays als Notes on ‘Camp’ (1964), dat samen met haar letterkundige beschouwingen en kritieken in 1966 werd opgenomen in de bundel Against Interpretation and Other Essays.

Moralisme

Ook aan haar streven om een balans te vinden tussen moraal en esthetiek (ze noemde zichzelf in haar jeugddagboeken een ‘geobsedeerde moralist’) houdt ze in deze jaren onverstoorbaar vast. Dat moralisme vormde het fundament voor haar politieke activisme, waarvan ze in 1968 getuigde in het verslag van haar reis naar Hanoi. In de dagboekaantekeningen die ze in Vietnam maakte, is ze aanzienlijk minder stellig over de zegeningen van het communisme dan in haar gepubliceerde teksten. Haar vertrouwen in de emancipatoire kracht van het communisme als systeem liep gedurende de jaren zestig forse deuken op. De intense omgang met de in 1972 uit de Sovjet-Unie uitgewezen Russische dichter Joseph Brodsky, volgens haar zoon de enige echte zielsverwant met wie Sontag ooit een liefdesrelatie had, deed wat er van haar communistische sympathieën over was verdampen, zonder dat ze haar linkse engagement verloochende.

Als we op de dagboeken afgaan was er in Sontags leven geen plaats voor iets banaals als huiselijk geluk. In haar kortstondige verhoudingen met intellectueel en artistiek begaafde dames en heren voelde ze zich vaak tekortgedaan of tekortschieten. Zo euforisch en zelfverzekerd als ze was over haar capaciteiten als denker en schrijver, zo onzeker werd ze over haar seksuele aspiraties en mogelijkheden.

Veel meldt ze daar overigens niet over. Anders dan in het eerste deel van de dagboeken, is ze in deze fase van haar leven karig met mededelingen die niet rechtstreeks op haar werk betrekking hebben. Over haar langdurige psychotherapie en haar ellendige ziektegeschiedenis (in 1974 onderging ze een radicale borstamputatie gevolgd door jarenlange chemokuren) nauwelijks een woord. Wel zie je in de haastige opgetekende dagboeknotities haar essays On Photography (1977) en Illness as Metaphor (1978) geboren worden.

Hoe ze er ook aan toe was, Sontag probeerde altijd op de toppen van haar kunnen te presteren en had daar alles voor over. Maar over de hoogte van die toppen had ze haar twijfels. Hoezeer ze ook van zichzelf overtuigd was, ze wist ook al vroeg dat ze ‘niet slim genoeg zou zijn om een Schopenhauer of Nietzsche of Wittgenstein of Sartre of Simone Weil te worden. Ik nam me voor hun gezelschap op te zoeken en als leerling op hun niveau te gaan werken.’ Dat heeft ze consequent volgehouden, blijkens haar diepgravende, vaak bewonderende studies gewijd aan grote denkers en schrijvers aan wie ze naar eigen zeggen niet kon tippen. ‘Ik ben geen genie’, stelde ze vast. ‘Mijn verstand is niet écht eersteklas. En mijn karakter, mijn gevoelsleven, is uiteindelijk te conventioneel.’

Geobsedeerd

Dat ze geen genie was, wijt ze op haar 33ste aan haar opvoeding en het gewauwel van haar kindermeisje, moeder, zusje en stiefvader. ‘Alleen al het moeten aanhoren ervan, vijftien jaar lang, heeft het voor me verpest. Ik ben niet gek genoeg, niet geobsedeerd genoeg.’ Maar als er iemand geobsedeerd was door zichzelf, dan was zij het. ‘Ben ik boos dat ik geen genie ben?’ vraagt ze zich af. ‘Doet het me verdriet?’ Vlak voor haar 34ste verjaardag schrijft ze dat ze, afgezien van haar zoon David, bereid is alles op te offeren en af te zien ‘van alle menselijk geneugten’ om haar geest aan te scherpen. ‘Ik heb dat ene – mijn verstand. Het wordt groter, zijn honger is niet te stillen.’

Zeven jaar later, in 1973, noteert ze als mogelijk begin van een fictief verhaal: ‘Mijn hele leven ben ik op zoek geweest naar een intelligente gesprekspartner.’ Waarschijnlijk vormt dát de essentie van haar eigen leven. Ondanks haar uitgebreide internationale vriendenkring waartoe de grootste geesten van haar tijd behoorden, heeft Sontag (wellicht met uitzondering van Brodsky) nooit gevonden wat ze zocht. Haar intelligentste gesprekspartner bleef zijzelf, getuige haar dagboeken die zich laten lezen als de autobiografie van iemand – al dan niet een genie – die de Nobelprijs voor de literatuur had horen te krijgen.

David Rieff heeft aangekondigd dat het derde en laatste deel van Sontags dagboeken over de jaren 1980-2004 (deel IV van het Nagelaten werk) binnen afzienbare tijd verschijnt. Een fantastisch postuum geschenk van één van de meest inspirerende vrouwen van de 20ste eeuw.

    • Elsbeth Etty