Ze zijn met steeds meer, maar nog nauwelijks zichtbaar

Nederland telt steeds meer zelfstandigen zonder personeel. Maar dit groeiende leger zzp’ers – 10 procent van de beroepsbevolking – wordt slecht gehoord.

Nee, ze zaten er niet bij, afgelopen maand, toen Rutte en Samsom het polderoverleg tussen politiek, werkgevers en werknemers nieuw leven wilden inblazen. Evenmin werden ze genoemd in het regeerakkoord.

En toen de inmiddels beruchte koopkrachtplaatjes werden gepresenteerd, was er geen plaatje dat betrekking had op hen. Onderhand willen veel zzp’ers weleens weten waarom eigenlijk niet. Worden zij over het hoofd gezien door het nieuwe kabinet?

Daarom regende het in december e-mails bij de fractievoorzitters in de Tweede Kamer. Vele duizenden, denkt Johan Marrink – een Groninger die al zzp’er was voor de term bestond en in 2005 de stichting ZZP Nederland oprichtte.

Hij weet dat – van die duizenden – want het was een gecoördineerde actie. „We hebben een mailtekst opgesteld en rondgestuurd naar onze leden, plus geïnteresseerden. Ze hoefden alleen maar op ‘verzend’ te drukken. Als iedereen meedoet, gaat het om 35.000 mensen.”

Als dat zo is, wil dat wat zeggen. Al kwam er geen spandoek of optocht aan te pas, waarschijnlijk zag Nederland de afgelopen weken het eerste, georganiseerde protest van Nederlandse zelfstandigen.

In eerste instantie richt zich dat op een formeel punt. Hoewel de positie van zzp’ers niet ter sprake komt in het regeerakkoord, wordt er wel in vage termen gesproken over het verdwijnen van voor hen relevante aftrekposten.

„Het kan zelfstandigen een paar duizend euro per jaar aan inkomen schelen. Dus wij vroegen de regering om opheldering. Kregen we niet”, zegt Marrink. „Waarom niet? Waarom maken ze niet duidelijk wat de bezuinigingen voor ons betekenen? Voor bijna iedereen is dat inmiddels uitgerekend.”

Ontstemde zzp’ers kregen eind vorig jaar extra munitie van het Centraal Planbureau (CPB) en het Verwey-Jonker Instituut. Terwijl nog vaag is hoe kabinetsplannen voor zelfstandigen uitpakken, schreven zij in hun rapport Zzp’ers en het sociale stelsel, op weg naar herziening?, dat al wel glashelder is hoe het bestaande sociale zekerheidsstelsel hen ten dienste staat: nauwelijks.

Anders dan werknemers in loondienst zijn zzp’ers bijvoorbeeld niet automatisch verzekerd tegen arbeidsongeschiktheid. Ze kunnen wel zelf een verzekering afsluiten, maar de meerderheid (58 procent volgens het CPB) doet dat niet: te duur.

Verder doen veel zelfstandigen, volgens het rapport, ook nog eens weinig of niet aan pensioenopbouw. Een „sociaal probleem” noemde onderzoeker Fabian Dekker van het Verwey-Jonker Instituut dat eerder. Waar blijven de plannen om dat verhelpen?

Dat de positie van zzp’ers überhaupt onderwerp van onderzoek werd, komt doordat ze al lang niet meer een marginaal deel van de arbeidsmarkt zijn. Het ging volgens het CBS eind 2012 op een beroepsbevolking van 7.442.000 mensen om 760.000 zzp’ers (10,2 procent).

En ook juist om dát deel van de werkenden dat, volgens het Platform Zelfstandige Ondernemers, „broodnodig is voor de veerkracht en flexibiliteit” van de economie. Een stelling die het CPB onderschrijft.

Het zijn timmermannen en notarissen, boekhouders en artsen, tekstschrijvers en fysiotherapeuten. Denk aan een willekeurige romanschrijver – waarschijnlijk is dat er één. De stratenmakersbranche zou niet hetzelfde zijn zonder zzp’ers. Veel tv-programma’s, kranten en gebouwen zouden gaten en lege plekken vertonen.

En het worden er steeds meer. De statistici van het CBS telden een toename van 250.000 zzp’ers in de afgelopen tien jaar. Hun aandeel in de beroepsbevolking groeide van 6,4 procent in 2000 naar 10,2 procent eind 2012. En de grootste groei vindt plaats bij de toekomst van de arbeidsmarkt: werkenden tussen de 25 en 35 jaar oud.

Als deze groei doorzet, kan Nederland in 2030 zo 1 miljoen zzp’ers tellen, menen CPB en Verwey-Jonker Instituut. En in sommige sectoren, zoals de bouw, zullen ze dan goed zijn voor 49 procent van alle arbeidskrachten.

Als het kabinet nog niet zo goed raad weet met die aanzwellende massa: dat probleem hebben meer organisaties. Niet één instelling in de klassieke polder – waardoor wensen en klachten via ingesleten kanaaltjes naar Den Haag kabbelen – lijkt er al helemaal op ingesteld.

De vakbonden vertegenwoordigen ze niet echt, zegt Ruud Muffels, hoogleraar arbeidsmarkt en sociale zekerheid in Tilburg. De werkgeversorganisaties ook niet. Want een zzp’er zit qua positie tussen baas en personeel in. Dat blijkt lastig.

Politieke partijen houden zich nog maar net met de groep bezig. Dit jaar was er voor het eerst een verkiezingsdebat voor zzp’ers, in een zaaltje in een wegrestaurant aan de A1. En in de Sociaal-Economische Raad (SER), het Vaticaan voor de poldergelovigen, praten zzp’ers pas sinds twee jaar mee. Twee van de 33 zetels zijn voor hen beschikbaar. Ze worden bezet door Esther Raats-Coster en Linde Gonggrijp.

Het is wennen aan the new kid in town die niet in de traditionele verdeling van kapitaal en arbeid past. Maar volgens hoogleraar Muffels dragen zzp’ers zelf bij aan die onwennigheid. Want zijn ze nu ondernemer of werknemer zonder contract?

„Het is onmogelijk om te spreken over dé zzp’er”, zegt Muffels. Zo zijn er grote verschillen in werk en inkomen. Er zijn zzp-juristen die 140 euro per uur vragen en zzp-vrachtwagenchauffeurs die voor dat bedrag van Utrecht naar Parijs rijden.

Een grotere spraakverwarring treedt op tussen groepen zzp’ers met verschillende motieven. Je hebt, zegt Muffels, de klassieke ondernemers. Zij bieden hun expertise aan – hoe je een boekhouding op orde brengt, een rug kraakt, een stoep betegelt – maar blijven het liefst onafhankelijk.

Zij zijn die ‘grote groep’ die volgens een onderzoek van het ministerie van SZW ‘vrijwillig en bewust voor het zzp-schap kiest’ en daarover positief is.

„Wat wij vooral willen?”, vraagt Marrink. „We willen geen dingen – we zijn geen vakbond. Subsidies en cao’s horen niet bij het ondernemen. We hoeven ook niet over van alles mee te praten. We willen alleen ruimte. Minder regels.”

Maar niet alle zelfstandigen denken zo. Er is een groeiende groep ‘schijn-zzp’ers’, zegt Muffels. Die wordt ontslagen bij een bedrijf en weer aangenomen als zelfstandige. Dat gebeurde afgelopen jaar bijvoorbeeld in de tuinbouw en de journalistiek.

Vergelijkbaar zijn de zelfstandigen ‘bij gebrek aan beter’. Die kunnen geen werk vinden in loondienst, maar willen wel in een bepaalde sector aan de slag. Het CPB schat de omvang van de groep schijn-zzp’ers op zo’n 10 procent van het totaal.

Zij willen volgens Muffels juist vooral een deel van de zekerheden die werknemers in loondienst hebben. Als er geen cao is, dan toch afspraken om op terug te vallen. Minimumtarieven misschien. Juridische bescherming. Precies de zaken waarvan de andere zzp’ers gruwen.

Sprekend voor de verdeeldheid tussen zzp’ers is de kift tussen hun belangenbehartigers. Twee van de belangrijkste zijn FNV Zelfstandigen en het Platform Zelfstandige Ondernemers (PZO) – zij bezetten de zetels in de SER.

Een derde vertegenwoordiger, ZZP Nederland, heeft daarop kritiek: de organisaties zouden aan de jaspanden hangen van vakbeweging en werkgevers. En dan representeer je de zelfstandigen toch niet echt.

Een vierde organisatie – ZZP Netwerk Nederland – heeft dan weer kritiek op ZZP Nederland. Onder andere omdat de organisatie wordt gerund door beroepskrachten, niet door actieve ondernemers.

Hoogleraar Muffels: „Zo gaat dat vaker met belangenbehartiging. Wie spreekt namens de hele groep? Maar hier is dat wel onderdeel van het achterliggende probleem.”

De arbeidsmarkt piept en kraakt, zegt Muffels, maar de vakbeweging spreekt steeds meer alleen namens vijftigers met een vaste baan. „Veel andere groepen blijven over zonder zo’n spreekbuis. Behalve zzp’ers ook flexwerkers in diverse constructies en jongeren. Je moet je bij besluitvorming steeds meer afvragen wiens stem wordt vertegenwoordigd.”

    • Wouter Smilde