Toetsen in het basisonderwijs is prima

De Citotoets is een momentopname. Daarom moeten we niet minder, maar juist meer toetsen, betoogt Herman van de Werfhorst.

De Nederlandse basisschoolleerlingen maken over enkele weken weer de Citotoets. Deze toets, afgenomen door 85 procent van de basisscholen, is van groot belang voor de verdere onderwijsloopbaan van leerlingen. Middelbare scholen selecteren in toenemende mate op Citoscores. De regering is bovendien van plan om alle leerlingen te onderwerpen aan dezelfde gestandaardiseerde toets.

Centrale toetsing wordt hiermee steeds belangrijker in ons onderwijsbestel. Het onderwijsveld heeft veel kritiek op gestandaardiseerde toetsen en op de toenemende bemoeienis van het ministerie van Onderwijs bij de beoordeling van leerlingen en scholen – maar de conclusie dat er dan maar minder moet worden getoetst, is niet terecht.

Het belangrijkste bezwaar is dat de toets een momentopname is, en daarmee te weinig aandacht geeft aan de ontwikkeling van leerlingen gedurende hun hele basisschooltijd. Op zich is dit kritiekpunt terecht, maar dat betekent niet dat er minder moet worden getoetst. Integendeel, het betekent dat toetsing over de hele basisschool moet worden uitgesmeerd.

Gelukkig bestaat dit al. Het Citoleerlingvolgsysteem volgt leerlingen elk jaar. Dit wordt echter veel te weinig systematisch gebruikt om prestaties van leerlingen en scholen in kaart te brengen. Het ministerie zou er goed aan doen om centrale sturing juist op het gebruik van dit systeem te versterken. De eindtoets kan dan worden gezien als het sluitstuk van een lopende reeks toetsmomenten.

Een tweede bezwaar is dat scholen, vooral vanwege de externe rapportage van hun prestaties, alle pijlen richten op vakken die centraal worden getoetst, terwijl andere soorten van vorming ondermijnd worden. Allereerst is het geen probleem, maar eerder een zegen als externe druk leidt tot een grotere inspanning van scholen om hun leerlingen hierop beter te laten presteren. Het zijn niet voor niets wiskunde en taal die zo veel aandacht krijgen; dit zijn vakken die analytisch vermogen versterken, kansen in het onderwijs bevorderen en uiteindelijk noodzakelijk zijn voor de banen van morgen.

Tegelijk zou het zorgwekkend zijn als andere relevante zaken ondergesneeuwd raken. Scholen zijn ook verantwoordelijk voor burgerschapsvorming en dienen een veilig schoolklimaat te bieden. Meer aandacht voor toetsen voor wiskunde en taal bedreigt dit evenwel niet. Goede taalprestaties leiden ertoe dat leerlingen later gemakkelijker op de hoogte raken van het nieuws, vaker deelnemen aan verkiezingen en daarmee actievere burgers zijn. Afrekenbaarheid op basis van wiskunde en taal zal ertoe leiden dat scholen hun schoolklimaat op orde hebben, al was het alleen maar om schoolprestaties te bevorderen en zo voldoende aanmeldingen te krijgen. En natuurlijk omdat de inspectie ook wel degelijk het schoolklimaat zelf beoordeelt. Bovendien moeten we nadenken over aanvullende vormen van gestandaardiseerde beoordeling op domeinen waarvan we met zijn allen vinden dat ze belangrijk zijn.

Gestandaardiseerde vormen van toetsing bevorderen de neutrale beoordeling van leerlingen, ongeacht sociaal milieu en etniciteit. Juist in een onderwijssysteem als het Nederlandse, waarin relatief vroeg geselecteerd wordt voor verdere onderwijsloopbanen, moeten centrale toetsen leidend zijn voor de plaatsing van leerlingen. Vroege selectie werkt ongelijkheden in de hand, omdat kinderen op jonge leeftijd nog sterk onder invloed staan van hun ouders. Deze ongelijkheden kunnen worden gereduceerd als de plaatsing in vmbo, havo of vwo gebaseerd is op zo objectief mogelijke criteria.

Leraren weigeren dit te zien; zij vinden dat zij zelf het beste kunnen inschatten wat leerlingen waard zijn. Dit is aantoonbaar onjuist. Naarmate er meer objectieve maatstaven voor de plaatsing van kinderen worden gehanteerd, wordt de rol van ouders voor de schoolkeuze minder belangrijk. Als we het van de leraren laten afhangen, spelen vooroordelen een grotere rol.

Herman van de Werfhorst is hoogleraar sociologie aan de Universiteit van Amsterdam en verbonden aan het Netherlands Institute for Advanced Studies .