Kan hij het ook?

Ja, waarschijnlijk wel. Dijsselbloem mag dan een jongensachtige indruk maken, hij heeft laten zien de weg in de politiek te kennen. Tijdens de formatie, afgelopen najaar, werd Dijsselbloem genoemd als vicepremier. Daar heeft hij de politieke bagage voor, schreef deze krant toen. Sinds 2008 nam Dijsselbloem de belangrijke plek in Tweede Kamerfractie van de PvdA in: hij was vicefractievoorzitter.

Loyaal en dienstbaar, zo staat hij binnen de PvdA bekend. Hij noemde het vertrek van fractievoorzitter Cohen, begin vorig jaar, „een bevrijding”, zo is in kleine kring bekend. Moe werd hij van dat lethargische gedoe. Maar Dijsselbloem is niet het type om aan stoelpoten te zagen.

In zijn twaalf jaar als Kamerlid deed hij ervaring op met vrijwel alle belangwekkende dossiers, waaronder verkeer, ruimtelijke ordening, financiën, veiligheid, integratie, jeugdzorg en onderwijs. Hij schreef mee aan verkiezingsprogramma’s.

Samsom kon hem tijdens de formatie blindelings vertrouwen; de twee zijn close en die relatie gaat ver terug. Tijdens de campagne voor de Kamerverkiezingen van 2003 vormden ze met Staf Depla (nu wethouder in Eindhoven) het trio ‘de rode ingenieurs’: ze kwamen alle drie van een technische universiteit en zochten naar „echte problemen en werkende oplossingen”. Het ging ze om kwesties die binnen de politiek-correcte PvdA van toen nauwelijks aandacht kregen, zoals de situatie in probleemwijken, integratie en veiligheid. En passant schopten ze tegen de ‘regentencultuur’ in de partij.

Al vroeg was Dijsselbloem een vertolker van het rechtsere geluid binnen de PvdA. Hij schreef mee aan een voor de PvdA van die tijd harde immigratienota. Dijsselbloem was voorstander van een buurtverbod voor Marokkaanse probleemjongeren, vond nationalisme zo slecht nog niet en stelde in de nota dat „krenken mag”.

Dijsselbloem loopt al bijna twintig jaar op het Binnenhof rond. In 1993 werd hij beleidsmedewerker van de Tweede Kamerfractie, vervolgens werkte hij op het ministerie van Landbouw als politiek medewerker van minister Van Aartsen (VVD) en in 2000 kwam hij zelf in de Kamer terecht.

Na een beginperiode waarin hij naar eigen zeggen „een grijze muis” was, ging hij zich meer profileren. Hij werd bij het grote publiek bekend als voorzitter van de parlementaire onderzoekscommissie naar onderwijsvernieuwingen. Hij leverde toen, in 2008, een keihard, alom geprezen eindrapport af. Daarin werd de vloer aangeveegd met de voormalige PvdA-ministers van Onderwijs Tineke Netelenbos en Jo Ritzen. De overheid had het onderwijs geschaad door hervorming op hervorming te stapelen. Het woord ‘Dijsselbloemproof’ werd geboren: doordacht, nauwkeurig beleid. „Slow politics”, noemde hij dat.

De ChristenUnie-jongeren riepen hem in 2007 uit tot Engel van het Jaar. Van alle politici van niet-christelijke partijen was Dijsselbloem degene die zich het meest had laten leiden door bijbelse normen en waarden, vonden ze. Dijsselbloem – niet gelovig – voerde naar eigen zeggen een „offensief tegen de oprukkende straatcultuur”. Hij pleitte voor een verbod op gewelddadige games zoals Manhunt 2, streed tegen de „pornografisering van de publieke ruimte” en „ranzige” videoclips op MTV.

Dijsselbloem geniet respect onder Kamerleden, maar als nummer vijf op de kieslijst kreeg hij bij de verkiezingen in september niet meer dan 4.336 stemmen. Mensen in zijn omgeving vinden hem grappig en warm. Maar lachen in het openbaar doet hij zelden en hij is niet televisiegeniek. Zijn serieuze uitstraling noemde hij eens „het effect van de politiek op de mens”.