'Ik mis de discipline van het schrijven. En de euforie' Scheppen Tekst Saskia van Loenen Foto Mark Kohn

Hoe ziet de werkplek eruit van mensen die scheppen? Wat hebben ze nodig om tot hun creaties te komen? Aflevering 28: schrijver Connie Palmen (1955). Ze woont en werkt in Amsterdam, aan de Herengracht.

Amsterdam,Connie Palmen, foto: Mark Kohn

‘Mijn werkkamer is op de eerste verdieping. Een hele fijne kamer. Nadat Hans (van Mierlo, red.) was overleden heb ik mijn oude werkruimte opgegeven. Ik heb hier 11 jaar met Hans gewoond, maar elke ochtend liep ik naar de Prinsengracht. Mijn bureau is extreem geordend, alles moet er zo bij liggen dat ik overzicht hou. Anders wordt het chaos in mijn hoofd. Een deel van mijn boeken staat hier; filosofie en andere non-fictie, romans. Wat ik nog moet lezen ligt op een stapeltje; als ik ze gelezen heb en ik denk dat ik ze ooit ga herlezen, of wanneer ik er aantekeningen in heb gezet, gaan ze in de kast. Zo niet, dan geef ik ze weg.

Een boek ontstaat bij mij min of meer volgens een vast patroon. Ik hou van de ochtend – nog steeds. Als ik wakker word zou ik het liefst zo snel mogelijk aan het werk gaan. Maar het hangt af van de fase waarin het boek zich bevindt. Eerst ben ik langdurig rond een thema, een idee, aan het denken. Ik ga erover lezen, studeren, dingen onderzoeken, maak aantekeningen in schriftjes. In feite ben je dan al aan het schrijven, maar uitsluitend in het hoofd. Dit doe ik het liefst in bed: ik neem het ontbijtje mee naar bed, een grote kan koffie, de boeken die ik nodig heb, en vind het dan heerlijk om urenlang rechtop met kussens of liggend op mijn buik te denken en te schrijven. Langzaam maar zeker vormt het boek zich. De vorm, het genre waarmee ik speel, welke wetten ik onderuit wil halen, waarover het gaat. Ik denk de structuur helemaal uit, de personages, de hoofdstukken.

Als ik daarmee klaar ben begint het fysieke schrijven. Nu moet je het in mooie zinnen zien te gieten. Een veel onrustiger fase. Ik slaap dan ook slechter; naarmate het boek vordert heb ik steeds minder slaap nodig, vaak ben ik al om half vijf wakker. In een ochtendjas schieten en aan het werk. Ik word gedreven door opwinding, door onrust. En ervaar een mate van geluk die heel erg past bij het schrijven zelf. Ik ga zitten achter de laptop en moet van mezelf die dag één pagina produceren. Dat is de hoeveelheid die me lukt en daar ben ik een groot deel van de dag mee bezig. Het is dus zeker niet zo dat bij mij de zinnen als vanzelf op het papier vloeien. Ik ben niet iemand die makkelijk schrijft, ben eigenlijk vrij traag. Het is worstelen, schaven, bewerken. Net zo lang tot het goed is. De meeste tijd ben ik aan het nadenken waarom zo’n zin er moet staan.

Eerst lees ik terug wat ik de vorige dag geschreven heb. Ik weet ongeveer wat ik die dag moet schrijven, welke gebeurtenissen, gedachtes, welke wending er op die pagina moeten komen. Tussendoor loop ik wat heen en weer, ga wat schoonmaken, maar het denken gaat gewoon door. En dan ga ik weer zitten en schrijf een zin. Of verbeter wat er al stond. Op een gegeven moment is het op. Schrijven is vermoeiend, ook al omdat het altijd met lichte euforie gepaard gaat – en euforie is zalig maar uitputtend.

De rest van de dag lees ik – maar alleen boeken die iets te maken hebben met het boek dat ik schrijf. Ook als ik ophoud gaat het schrijven door: in elk gesprek, bij elke ontmoeting; een opmerking waar ik iets mee kan. Het is fijn dat mijn jongste broer tussendoor altijd hoofdstukken meeleest. Een belezen man, ik vertrouw op zijn oordeel. Vroeger had ik twee meelezers. Hans las ook altijd mee.

Het afgelopen jaar heb ik niets meer geschreven. Sinds zijn overlijden (11 maart 2010, red.) alleen Logboek van een onbarmhartig jaar. Maar geen nieuw werk. Ik kan het nog niet. Maar ik ben wel weer gaan lezen. Mijn interesse in andere onderwerpen ben ik niet eens zo lang kwijt geweest. En in tegenstelling tot wat mensen over rouw denken ben ik ook niet ongelukkig. Verdriet hebben is iets anders. Maar ik ben elke dag gelukkig in dit huis, met dit huis. Het is een plaatsvervangend lichaam. Het is van mijn leven met Hans doordrongen.

Eerst ga ik op tournee door Duitsland met het logboek. In de zomer hoop ik weer te gaan schrijven. Misschien wordt dat het grote judasboek, over verraad; ik stond op het punt eraan te beginnen toen Hans ziek werd. Nu suddert het, ik merk dat ik weer meer met het thema bezig ben, alleen nog niet op de schrijverswijze. Maar ik dacht laatst wel: als ik alle boeken rond dit thema, die nu in een archiefkamer liggen, nu eens hier samen bij elkaar op één plank leg. Dan ga ik er misschien weer eens een pakken, wat aantekeningen van toen lezen.

Ik mis het schrijven wel. Ik mis de discipline van het schrijven, dat richtinggevende, en natuurlijk de euforie. Nu dobber ik nog te veel, een beetje stuurloos, structuurloos.

Meer dan een jaar ben ik bezig geweest met het archiveren van het werk van Hans. Archiveren is een herovering op het verlies. Ik was ook begonnen met zijn dagboeken, maar daar ben ik mee gestopt. Het stemde me te droevig en te weemoedig. Toen dacht ik: dit moet je jezelf nog niet aandoen, gun jezelf de tijd. Zijn handschrift is zijn ziel. En ik mis die hand en die ziel. Heel erg.”

    • Saskia van Loenen