Een fantasierijk knutselaar

De Vlaamse theatermaker Benjamin Verdonck, deze week in Nederland, stelt in zijn voorstellingen zijn eigen lichaam in de waagschaal.

Benjamin Verdonck Foto Koen Broos

Falen kan verschrikkelijk mooi zijn. Dat laat de Antwerpse theatermaker en kunstenaar Benjamin Verdonck zien in alles wat hij maakt. In de schouwburgzaal, of gewoon boven een winkelstraat, op dertig meter hoogte in een reusachtig zelf gebouwd zwaluwnest.

Op de vraag wat hij zou meenemen als zijn huis in brand stond, heeft Jean Cocteau eens geantwoord: ‘Het vuur.’ Benjamin Verdonck haalde deze wijsheid aan tijdens zijn toespraak in 2010 bij het begin van het Vlaamse Theaterfestival. Een prachtige zin, waarmee heel goed Verdoncks eigen theaterwerk omschreven is, dat grillig oogt, op onverwachte plaatsen opflakkert en verwarmt door de steeds weer geëtaleerde kwetsbaarheid.

Verdoncks voorstelling Disisit was afgelopen zomer de revelatie van het Nederlandse Theaterfestival. Op een podium vol afgedankte stoelen, supermarktproducten, bezems, schragen en andere troep vermengde hij variété met literaire voordracht, acrobatiek met absurdisme, zang met sculptuur. Daarbij was het her en der rondslingerende decor steeds weer de aanleiding tot een nieuwe wending in de voorstelling – zodat de toeschouwer soms het idee kreeg dat hij een hyperinventieve puber aan het observeren was die met weinig middelen en karrenvrachten fantasie een fantastische avond op een verder verlaten zolder beleeft.

Als Gesamtknutselwerk, zo zou Verdoncks hybride werk getypeerd kunnen worden. In zijn vermenging van genres bouwt hij met afvalmateriaal een voorstelling die op alle zintuigen een beroep wil doen. Het doel is daarbij niet te komen tot een glad eindproduct, een ‘goed geregisseerde voorstelling’, maar juist de imperfectie en de mogelijke mislukking in stand te houden, en van dit alles de verborgen schoonheid te openbaren.

Een voorbeeld: hoogtepunt van Disisit was de bijna levensgrote olifant die Verdonck op het einde van de voorstelling uit schragen, stoelen, bezem en een kleed op het podium in elkaar flanste. Het was een prachtig beest, des te mooier omdat niemand zal hebben gedacht dat je zo’n kunststukje zou kunnen maken van al dat tweedehands spul dat bij aanvang op de bühne stond.

Voor Verdonck was het niet genoeg. Hij plantte een kantinestoel van oranje plastic op een tafel, ging er op staan, en besteeg de zelf gebouwde olifant. Waarop het hele zaakje natuurlijk met een knal in elkaar lazerde, eerst tot schrik en later tot genoegen van het publiek. En Verdonck? Die krabbelde weer op om aan een nieuwe verkenning te beginnen, met een schijnbaar ontembare energie, om na de volgende mislukking bezweet uit te roepen: „Dank u, u hebt mij verzoend met mijn eigen falen.”

Benjamin Verdonck is een artiest die zijn eigen lichaam in de waagschaal stelt. Ook als beeldend kunstenaar en performer, alhoewel de grenzen tussen die disciplines bij hem nooit helemaal duidelijk zijn.

In 2002 bracht hij twee weken door op een zeven meter hoge paalhut op een tochtig, enigszins berucht plein in Antwerpen; met voorbijgangers communiceerde hij door een schrift aan een touwtje omlaag te laten zakken. Twee jaar later liet hij, in wat zijn meest bekende ingreep in de openbare ruimte zou worden, een reusachtig zwaluwnest tegen de gevel plakken van het foeilelijke Administratief Centrum van Brussel. De foto’s van Verdonck die met een roze Indianentooi op dertig meter hoogte over de stad uitkijkt zijn nog altijd indrukwekkend. Onder de titel hirondelle/dooi vogeltje/the great swallow herhaalde hij het huzarenstukje in Birmingham en aan het Weena in Rotterdam.

In het theater kan Verdonck – verbonden aan het Toneelhuis, Antwerpen – zijn lichaam veel subtieler inzetten als materiaal om werk mee te maken. Dat lijf van hem is typisch Belgisch: tenger, pezig en getraind zonder sportief te zijn, resultaat van jarenlang lidmaatschap van de scouts. Er schuilt een zekere instabiliteit in zijn stappen, als van een veulen dat al wel door de weide dartelt maar nog bij elke stap lijkt te kunnen gaan struikelen. Ook zijn stem is schuchter: heel zacht, bijna verlegen als hij begint te spreken, tot hij zich vergeet in een lied (Alphaville’s Forever Young) of in een monoloog die vervolgens geen einde kent.

Meer dan dat lichaam en die stem plus een verzameling attributen heeft Verdonck ook niet nodig om een voorstelling neer te zetten. Het is een terugkeer naar de kern van wat theater is. Een politieke en artistieke keuze van Verdonck, die al eens stelde dat in een wereld die geregeerd wordt door het spektakel en het schandaal, de kunstenaar een andere weg moet inslaan.

Het beklemtonen van de kwetsbaarheid, daarin school volgens Verdonck de grote kracht van het hedendaagse kunstwerk. Hijzelf heeft de gave om te laten zien welke vergezichten er in inventief falen schuilgaan.

Op 11 en 12 januari treedt Benjamin Verdonck met Abke Haring op in Song#2 in De Brakke Grond, A’dam.

    • Daniël Rovers