Dokie

In 2005 verscheen Ischa, een nogal onthullend boek van Gijs Groenteman, waarin bekenden van Ischa Meijer hun herinneringen aan hem ophaalden. Een terugkerend thema was het onvermogen van Ischa’s ouders om met hem over de oorlogsjaren, en alles wat daarmee samenhing, te praten.

Een van Ischa’s beste vrienden was Arend Jan Heerma van Voss, tot 2006 hoofdredacteur van de VPRO-radio. Hij zei tegen Groenteman: „De verzwegen levensgeschiedenis van zijn ouders, waar Ischa mee is opgevoed, kwam destijds vaker voor. Misschien kwam dat ook door de oorlog, een soort nagekomen schokgolf. In een oorverdovende stilte is hij opgegroeid. Je moest helemaal in je eentje uitzoeken hoe de levens van je ouders in godsnaam in elkaar zaten. Meestal werd je het omgekeerde verteld, of werd het verhaal zo gemaskeerd, dat het niet meer te herkennen was. Alle dingen die belangrijk waren hadden één ding gemeen: daar had je nog nooit van gehoord. Niemand had er ooit over verteld.”

Zeven jaar later lees ik Dokie, een subtiele kroniek van een familieleven, geschreven door Arend Jan Heerma van Voss. Wat hij destijds vaststelde over Ischa’s achtergrond, blijkt ook voor hemzelf op te gaan. Hij praatte over Ischa, maar moet in diens lot ook het zijne weerspiegeld hebben gezien. Misschien was het zelfs een essentieel onderdeel van hun verbondenheid.

Tegenover Groenteman hield Heerma van Voss zichzelf nog buiten schot. Hij moest zeventig worden voor hij met zijn eigen verhaal naar buiten kwam. Het is, hoe ingehouden ook opgeschreven, een verdrietig, soms bitter, verhaal. Dokie was zijn 7-jarige zusje – vier jaar ouder dan hij – dat op 26 september 1945 werd doodgereden door een motorrijder, voor het ouderlijk huis in Roosendaal.

Dokie werd een soort familiegeheim. Er werd in de boezem van het gezin nauwelijks over de tragedie gesproken. Arend Jan moest destijds van vriendjes horen dat zij niet ziek, maar dood was, en toen hij veel later naar meer bijzonderheden vroeg, stuitte hij op een muur van zwijgzaamheid. Er werd niet verwerkt, er werd weggewerkt.

Zo kon Dokie haar jongere broertje als een onbegrijpelijke schim uit het verleden blijven achtervolgen, vooral in perioden waarin hij aan inzinkingen ten prooi viel. In zijn studententijd noteert hij in een dagboek: „Ik heb me gehecht aan dingen, aan ficties, aan imaginaire werelden, maar nooit meer helemaal aan mensen. Daar lag een fatum over. Dat fatum ben jij.”

Was het typerend voor de families Meijer en Heerma van Voss dat er zo gezwegen werd over wat hen obsedeerde, of kwam het veel vaker voor, zoals Heerma van Voss zelf vermoedt? Ik denk dat het inderdaad eerder typerend was voor een tijd, met name de decennia voor en na de Tweede Wereldoorlog.

Ik herinner me dat wij in onze vorige woonplaats kennissen hadden die hun 7-jarig dochtertje bij ons wilden onderbrengen op de dag dat ‘oma’ begraven werd. „Waarom zou je haar niet meenemen naar de begrafenis?” vroeg mijn vrouw. Nee, dat was uit den boze, dat kon zo’n kind nog helemaal niet aan.

Jaren later zei de moeder tegen ons: „Dat hadden we zo niet moeten doen, onze dochter heeft er lang last van gehad dat wij haar toen overal buiten hebben gehouden.”

Het is nogal in zwang gekomen om te fulmineren tegen de onbezonnenheid van de jaren zestig en zeventig, maar er is toen gelukkig ook een gordijn opengetrokken waarachter te veel verborgen bleef.