Dijsselbloem en de euro

Het moet vreemd lopen wil de Nederlandse minister van Financiën, Jeroen Dijsselbloem (PvdA), niet de nieuwe voorzitter worden van de eurogroep. Dat is de vergadering van bewindslieden van Financiën van de landen die de euro als munt hebben. Aannemelijk zal hij per 21 januari, op de eerstvolgende bijeenkomst, de functie toegewezen krijgen.

Op het eerste gezicht is dit verrassend. Dijsselbloem bekleedt zijn ministerspost nog maar luttele maanden. Ondanks zijn onervarenheid zal hij nu subiet een van de meest aansprekende en zware posten vervullen bij het verder oplossen van de eurocrisis.

Maar zo schokkend is dit niet. In het krachtenveld tussen grote en kleine landen en tussen sterke en zwakke lag een keuze voor Nederland voor de hand. Dat de bijbehorende minister Dijsselbloem heet, is van secundair belang. En ervaring is betrekkelijk. Voor het gros van de bewindslieden van Financiën in Europa is hun ministerschap een kwestie van al doende leren. Van alle Nederlanders die de afgelopen kwart eeuw begonnen op deze functie, kan eigenlijk alleen van Gerrit Zalm, die directeur was van het CPB, worden gezegd dat hij meteen wist waar hij het over had. Maar ook de rest functioneerde in de regel uitstekend.

In Nederland is er nu discussie over de vraag of Dijsselbloems benoeming goed is voor het nationaal belang. Dat is een begrijpelijke zorg. Een voorzitter sluit compromissen en neemt daarbij vaak het voortouw. Het gevaar dreigt dat de Nederlandse standpunten daar vroegtijdig onder lijden.

Er zijn evenwel voldoende tegenargumenten. Het voorzitterschap verschaft Dijsselbloem en zijn staf vroegtijdige en hoogwaardige informatie. De stoel van Nederland blijft bovendien niet leeg: het belang wordt verdedigd door een plaatsvervanger.

Minder tastbaar, maar zeker van waarde, is het aanzien en de zichtbaarheid van Nederland in het discours zelf. Anderzijds: het belang van het voorzitterschap van de eurogroep moet nu ook weer niet worden overdreven. Het overleg over de oplossing van de eurocrisis ligt in de praktijk vaak elders dan bij de eurogroep. Bilateraal overleg tussen Duitsland en Frankrijk is hier cruciaal. Als het erop aankomt, stappen, op een hoger niveau, de regeringsleiders in. En er is ook nog de Europese Centrale Bank die door de crisis aan presentie heeft gewonnen.

Opgeteld zijn er weinig bezwaren waarom Dijsselbloem de hamer niet zou oppakken. In wezen is er maar één: de aandacht voor het nationale begrotingsbeleid. Die mag, zeker nu, niet verslappen. Als de minister dat garandeert, staat niets zijn voorzitterschap in de weg.