De shock van Hot Freaks, 17de-eeuws en recent

Vermeers Meisje met de parel was in Japan. Uitgeleend door het Haagse Mauritshuis, samen met Het puttertje van Carel Fabritius, en nog een stuk of veertig 17de-eeuwse meesterwerken. Ruim een miljoen Japanners kwamen de doeken in musea in Tokio en Kobe bekijken.

Dit jaar leent het Mauritshuis de schilderijen uit aan New York, Atlanta en San Francisco. Ik ben niet helderziend, maar nu zie ik in mijn glazen bol dat daar veel publiek op af komt. En ik doe er nog een visioentje bij: in 2014 heet het, intussen gerenoveerde, Mauritshuis de doeken met enige tamtam welkom thuis – en komt ook het Nederlandse publiek weer met zijn allen om te genieten van Vermeer, Frans Hals, Rembrandt.

Maar wij zijn sneue types, van Tokio tot Den Haag, want ‘echt’ is ook maar een idee en nep heeft, mits goed uitgevoerd, hetzelfde effect. Dat zeg ik niet, dat suggereert kunsthistoricus Ernst van de Wetering. Hij is niet zomaar iemand. Hij is een van de grote jongens van het Rembrandt Research Project: hij maakt wetenschappelijk uit wat de echte Rembrandts zijn. Diezelfde Van de Wetering prijst Rembrandt: All His Paintings aan. Dat is een expositie in het luxueuze Amsterdamse winkelcentrum Magna Plaza, waar permanent alle Rembrandts bij elkaar te zien zijn. Nee, niet de echte, maar wat is echt? In deze door computers geconstrueerde reproducties zijn Van de Weterings inzichten verwerkt en volgens hem zou Rembrandt „uit zijn dak” gaan, als hij de expositie zou kunnen zien. Want Rembrandt, doceert hij, was niet tegen kopieën van schilderijen, hij verzamelde ze zelf.

(Van de Wetering heeft goede contacten met dode schilders. Voor Van Gogh, My Dream Exhibition, met digitale Van Gogh-reconstructies in de Beurs van Berlage in Amsterdam, wordt geadverteerd met een bericht van gene zijde, ook doorgestraald via Van de Wetering: „Wat zou Van Gogh zélf hier blij mee zijn geweest!”)

Alle Rembrandts bij elkaar, weliswaar in kopie, maar met de zegen van de man die deze maand alweer elf schilderijen herkende als ‘echt Rembrandt’. Dat moet ik zien. Ik loop een trap af, koop een kaartje, ga naar binnen. En sta verbaasd. Ik verwachtte, werkelijk, superieure kopieën van schilderijen. Op hout of linnen, in dezelfde verfbewegingen (computer!) als de originelen. Ik zat er al over in dat ik zou moeten toegeven dat ik ze inderdaad niet van de echte kon onderscheiden. Ik vond dat niet ondenkbaar. Maar ik zie geen schilderijen. Dit zijn fotoreproducties. Glad. Glimmend, in onbeholpen afgestelde spotlights. De verfstreken zijn platte vegen. Over De Staalmeesters loopt een naad. Het gevoel voor een schilderij wordt sentiment over een plaatje.

Ik voel me bedrogen. „Voor de originelen zou je een wereldreis moeten maken via Parijs en Lissabon naar Los Angeles”, schreef Van de Wetering in een ingezonden brief. Klopt, en daar verandert Rembrandt: All His Paintings niks aan. Deze gedrochten wil ik nooit meer zien, dan beperk ik me liever tot de Rembrandts die we in Nederland hebben. En Parijs is niet ver, dus hartelapje Batseba in het Louvre ook niet. Intussen spaar ik voor Sint Petersburg, om daar in de Hermitage vol te schieten bij Rembrandts De verloren zoon.

Schilderijen zijn meer dan studieobjecten. Zijn ze goed, dan hebben ze het eeuwige leven. In het reliëf van hun verf, in de golven van hun kleuren, bewaren ze het wezen van hun schilders. De wetenschap dat deze verfstreken werkelijk Rémbrándts verfstreken zijn, choqueert wie erover na durft te denken. Want via een schilderij kijk je in iemands ziel. Daar staan zijn driften naakt, en zijn verdriet, en zijn tederheid.

Ook in de Haagse kunstruimte Nest overkomt me zo’n schok, bij de installatie Hot Freaks van de Nederlandse kunstenares Wineke Gartz. Ze sluit me in tussen videobeelden van snelwegen, kusten, nachtelijke stadsgezichten. Soms wringen zich er andere beelden tussen, van een popster, een filmster. Van Bruce Lee, van haarzelf. Tegen de schermen leunen spiegels – mijn eigen spiegelbeeld fungeert als vast punt. Al met al vangt Gartz me in haar gevoel.

Hot Freaks maakte ze voor Nest. „Nee”, zegt ze, „hij wordt niet meer nagebouwd.” Hij is voor hier. Voor nu. Voor wie de moeite neemt.