Rond teergronden hoopt gif zich op

Het lijkt er nu echt op dat er schadelijke stoffen vrijkomen bij de winning van olie uit teerzand. Tot op 90 kilometer afstand zijn meren aangetast.

Het teer dat overblijft na oliewinning wordt opgeslagen in afvalbekkens (rechts). In Alberta ligt voor 17.000 hectare aan dergelijke bekkens. Foto Hollands Hoogte

Oliemaatschappijen die in Canada zandgronden met stroperige teer afgraven voor de winning van olie, brengen met hun werk grote hoeveelheden kankerverwekkende stoffen in de lucht. De verspreiding van de schadelijke stoffen gaat verder dan voorheen gedacht, tot wel 90 kilometer. Dat schrijven Canadese onderzoekers deze week in het vakblad Proceedings of the National Academy of Sciences.

Het onderzoek is belangrijk in de al decennialang lopende, gepolariseerde discussie naar de schadelijkheid van teerzandwinning. Teerzanden zijn met name te vinden in Canada, in de omgeving van de 1.200 kilometer lange Athabasca-rivier, die vanuit de Canadese Rocky Mountains naar het noordoosten stroomt en uitmondt in het Athabascameer. Reusachtige machines graven het teerzand in de open lucht af. In een raffinaderij wordt vervolgens het zand verhit om het teer eruit te halen en om te zetten in olie.

Industrie en overheid beweren dat de gevolgen van teerzandwinning beperkt zijn. Milieuorganisaties claimen tal van schadelijke gevolgen, zoals luchtvervuiling, watervervuiling en meer gevallen van kanker. De belangen zijn groot. Voor de industrie vormen de teerzanden een nieuwe bron van inkomsten, nu hun makkelijk winbare oliebronnen uitgeput raken. De Canadese overheden zien door de activiteiten van de oliemaatschappijen miljarden aan belastinggeld binnen stromen – voor de komende 25 jaar naar schatting 230 miljard euro.

Milieuorganisaties beweren dat bij het afgraven en verwerken van teerzand onder meer PAK’s en zware metalen vrijkomen en zich verspreiden. Ze kregen in 2009 steun van een groep onderzoekers van de universiteit van Alberta. Zij toonden aan dat het gehalte aan PAK’s (polycyclische aromatische koolwaterstoffen) in de Athabasca-rivier en diverse uitlopers sterk verhoogd was sinds de start van de teerzandwinning in de jaren zestig. Er werden concentraties gemeten die in het laboratorium giftig bleken voor vissenembryo’s. Een jaar later toonde dezelfde groep ook zware metalen aan, waaronder kwik, lood, cadmium en nikkel. De concentraties werden hoger naarmate er dichter bij een afgraving of een raffinaderij werd gemeten.

Maar vorig jaar veegde een andere Canadese groep, van de universiteit van Waterloo in Ontario, dit onderzoek van tafel. Ze voerden metingen uit in de bodem van drie meren. Ze vonden inderdaad verhoogde concentraties PAK’s sinds de jaren zeventig. Maar die verhoging hield volgens hen geen verband met industriële activiteit, maar met overstromingen van de Athabasca-rivier in de lente. Die komen sinds de jaren zeventig vaker voor. Bij het buiten de oevers treden sleurt het rivierwater, dat in het voorjaar ook ijsbrokken bevat, grote hoeveelheden teerhoudend zand mee van aangrenzend land. De studie werd mede-gefinancierd door Suncor, een van de bedrijven die teerzand wint in Canada.

Dit onderzoek is op zijn beurt deze week aangevallen door weer een andere groep Canadese wetenschappers, uit Kingston en Saskatoon. Zij voerden metingen uit aan zes geïsoleerde meertjes waar geen rivierwater in of uitstroomt. Ze filterden zo de invloed van natuurlijke processen uit. De enige, eventuele aanvoerroute van PAK’s was de lucht. In deze meertjes bleek de concentratie PAK’s sinds de jaren zestig 2 tot 23 keer gestegen. Vijf meertjes bevonden zich vlakbij afgravingen of raffinaderijen, maar één meertje lag op 90 kilometer afstand. Daar werden licht verhoogde concentraties PAK’s aangetroffen.

Hun conclusie is duidelijk: de sterk toegenomen industriële winning van teerzand heeft wel degelijk schadelijke gevolgen, ook al beweren industrie en overheid anders.