Nepliedjes ontroeren óók

David Byrne, zanger en gitarist van de Talking Heads, heeft 40 jaar ervaring in popmuziek. Over zijn levenslessen schreef hij een boek: How Music Works.

U.S. musician David Byrne poses for photographers as he sits within his musical installation entitled Playing The Building at the Roundhouse in London August 7, 2009. The installation consists of a pump organ that causes mechanical parts attached to various parts of the building to vibrate and oscillate. REUTERS/Kieran Doherty (BRITAIN SOCIETY ENTERTAINMENT) REUTERS

Medewerker Muziek

In popmuziek gaat de luisteraar ervan uit dat een zanger zijn eigen emoties vertolkt en daar een persoonlijke noodzaak voor heeft. Onzin, schrijft David Byrne in How Music Works. Het maakt voor de authenticiteit niets uit of de liedjesschrijver zelf heeft meegemaakt wat hij zingt. Niet onze emoties bepalen de liedjes, maar andersom: muziek en tekst wekken bij een zanger de emoties op. Met andere woorden: muziek maakt ons, in plaats van omgekeerd.

David Byrne weet waar hij het over heeft. Byrne was zanger-gitarist van de New Yorkse new wave-band Talking Heads (1975-1991). Sinds het uiteengaan van die groep musiceert hij solo of met anderen, van Fatboy Slim en Brian Eno tot onlangs zangeres St. Vincent.

In How Music Works verwerkt Byrne de inzichten die hij in de loop van veertig jaar musiceren heeft opgedaan. Het verhaal schiet alle kanten op, maar dat is geen bezwaar. Byrne schrijft grappig en enthousiasmerend – meer dan in het nogal cerebrale Bicycle Diaries (2009).

Het is duidelijk dat muziek zijn grote liefde is. Zo betoogt hij dat niet de muzikant een ruimte beïnvloedt, maar de ruimte de muziek: middeleeuwse westerse muziek, met zijn lange noten, gedijde goed in de galmende kathedralen. Maar Afrikaanse polyritmische percussie zou verzuipen in die akoestiek en komt dus vooral tot zijn recht in het open veld.

Zelf verkiest hij nog altijd kleine zalen zoals de voormalige punkclub CBGB’s boven de statige Carnegie Hall, omdat de akoestiek daar ‘niet geschikt is voor mijn groove-georiënteerde stijl’. Ondertussen laat hij zien hoe vals de de romantiek was van de destijds bohémienne Lower East Side, waar CBGB’s was gevestigd. De leden van de Talking Heads woonden er op een etage voor 150 dollar per maand, zonder wc, douche of verwarming. Maar „zo leuk was de buurt nu ook weer niet. Je wist nooit of een roerloos lichaam op de stoep stoned, dronken of dood was”.

Als een van de weinige CBGB’s-groepen bereikten de Talking Heads in de jaren tachtig een groot publiek, door de nog altijd indrukwekkende muziek en de bijzondere optredens. Byrne vertelt dat de groep zich daarvoor liet inspireren door de stijl van het Japanse kabuki-theater – de uitvergrote manier van praten en bewegen – die hij toepaste op de podiumkleding, zoals het beroemde ‘big suit’ uit de concertfilm Stop Making Sense (1984).

Byrne gaat na wat de invloed van techniek is op muzikale ontwikkelingen, om te beginnen de reuzenstap van live gespeelde muziek tot via opnameapparatuur gereproduceerde muziek. Toen het opnameapparaat was uitgevonden, waren er felle tegenstanders, zoals de componist John Philip Sousa die meende dat het de muziek zou ‘reduceren tot een bloedeloos systeem van megafoons, cilinders, raderen en draaiende onderdelen’. Ook Byrne ziet nadelen in de ontwikkeling van muziek als gemeenschappelijke (live)ervaring naar een individuele ervaring.

Vervolgens werd in de jaren veertig de bandrecorder uitgevonden. De Amerikaanse technicus Jack Mullins verbaasde zich erover dat in de radio-uitzendingen uit nazi-Duitsland ook ’s nachts orkesten te horen waren. Na de oorlog bleek dat de orkestleden niet midden in de nacht in de studio zaten, maar dankzij bandopnamen hun werk van tevoren konden doen. Mullins haalde de techniek naar Amerika. Ook bandopnamen werden omstreden, bijvoorbeeld toen een stand-in werd gebruikt om de hoge noot die een bekende operaster niet haalde in de opnamen te moffelen.

Byrne wijdt een nuchter hoofdstuk aan de muziekindustrie. Hij kent de business nog uit de bloeitijd en vergelijkt de hoge voorschotten die hij ooit kreeg met de gevolgen van de digitale revolutie. Zelf bracht hij in de loop van 40 jaar platen uit via grote en kleine platenmaatschappijen en in eigen beheer. De kosten en baten worden openhartig becijferd. Zo analyseert Byrne het verschil in opbrengst tussen een cd uitgebracht bij een platenmaatschappij (Grown Backwards uit 2004, op het Nonesuch-label) en een cd in eigen beheer (Everything That Happens Will Happen Today uit 2008, die hij opnam met Eno en zelf digitaal distribueerde via een eigen website). Bij Nonesuch verdiende hij uiteindelijk 51.000 dollar, aan het zelf uitgebrachte werk hield hij 324.500 dollar over.

Dit maakte hem euforisch, schrijft hij: zelfstandige digitale distributie is de toekomst! Maar als wenk aan de beginnende muzikant voegt hij eraan toe dat hij en Eno die winst alleen konden maken omdat ze zelf de middelen hadden om de opnamen te financieren. Dat is, zegt Byrne, nog altijd het nut van een platenmaatschappij: zij betalen een voorschot en nemen de risico’s.

Een band moet nadenken over ieder aspect van muziek en optreden, vindt Byrne, en hij maakte zich tijdens Talking Heads inderdaad druk over alles: van de woorden in zijn songteksten (‘Geen rockclichés als ‘‘Ohh, baby’”) tot de kleding van de bandleden (het shockeffect van een poloshirt in tijden van punkrock!).

Vooral over de woorden van de Talking Heads schreef auteur Jonathan Lethem onlangs het boekje Fear Of Music, naar de derde lp van de band uit 1979. Lethem was een tiener toen hij die lp voor het eerst hoorde en zijn identificatie met muziek en teksten ging zo ver dat ‘ik een tijdlang wilde dat ik het album Fear Of Music op de plaats van mijn hoofd kon dragen, zodat mensen me sneller zouden begrijpen’.

Zonder zich te verliezen in de biografie van Byrne of de band, legt Lethem uit waar ieder liedje volgens hem over gaat en wat het voor hemzelf betekend heeft. De taal is associatief, zoals Lethem ook in zijn recente romans zoals Chronic City steeds associatiever schreef, wat overigens de leesbaarheid niet ten goede komt. In veel gevallen ontstaat er een woordbrij. De liefdesverklaring aan onverwoestbare nummers als ‘Paper’, ‘Life During Wartime’ en ‘Drugs’, is overtuigend als hij direct commentaar geeft op Byrnes vondsten.

Boek

David Byrne: How Music Works. Canongate Books, 352 blz., € 31,90.