Klein contract, dan ook een klein salaris

Bijna de helft van de mensen met een tijdelijk contract verdient minder dan modaal, volgens cijfers van Eurostat. Maar klopt dat wel?

Het is zo langzamerhand een stukgedraaide plaat: dat Nederlandse werknemers wel eens beter af zijn geweest dan nu in crisistijd. Maar nieuwe Europese statistieken waarin we op arbeidsmarktgebied slechter scoren dan Bulgarije, Macedonië of welk ander Europees land ook – daarvan wil je nog wel opschrikken.

Volgens de Europese statistische dienst Eurostat is er geen natie op het oude continent te vinden waar verhoudingsgewijs zoveel werknemers met een tijdelijk contract minder dan modaal verdienen.

47,9 procent van de Nederlandse werknemers met een tijdelijk contract is ‘kleinverdiener’. Veel meer dan het Europees gemiddelde van 31,3 procent. En heel veel meer dan het percentage Nederlanders met een vast contract dat onder de mediaan zit: 15,3 procent.

Eurostat stuitte daarop bij een onderzoek naar inkomens in de Unie, dat om de vier jaar wordt herhaald. Helaas geeft de dienst geen duiding bij de cijfers („we only do numbers, not explanations”, zegt de woordvoerder), dus je zou het ergste kunnen vrezen.

Combineer de bevinding bijvoorbeeld met gegevens van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) van december 2012: steeds minder werknemers krijgen een vast contract, steeds meer mensen moeten het stellen met een tijdelijke arbeidsovereenkomst. Voorspelt dat een epidemie aan kleinverdieners?

Of leg er, om zout in de wond te wrijven, een uit 2011 stammend rapport van het Researchcentrum voor Onderwijs en Arbeidsmarkt naast. Dat beschrijft hoe weinig werkgevers investeren in de vaardigheden en kennis van tijdelijke krachten, waardoor ze ook nog eens minder begeerlijk worden voor toekomstige werkgevers.

Geen wonder misschien dat vakbond FNV Nederland afgelopen week meteen kroonde tot ‘Europees kampioen laag belonen’ en opriep tot ‘betere wettelijke regels’. Maar heeft Eurostat een Nederlands schandaal blootgelegd?

„Het probleem van de cijfers is dat ze zo weinig specifiek zijn”, vindt Evert Verhulp, hoogleraar arbeidsrecht aan de Universiteit van Amsterdam. „Bijbanen van jongeren en parttime banen zijn ook meegenomen. Die leveren per definitie minder op. Ook is er geen aparte categorie voor tijdelijke contracten met uitzicht op vast.”

Dat laatste kan de situatie nogal in een ander licht zetten, denkt Verhulp. „Het is een wezenlijk andere situatie dan van rommelcontract naar rommelcontract gaan. Een bedrijf is dan wel degelijk in je geïnteresseerd, al is het met een voorbehoud. Omdat de cijfers zo algemeen zijn, kun je er weinig conclusies aan verbinden. Als je er andere studies naast legt, moet je vaststellen dat in Nederland toch nog steeds opgaat dat bedrijven goed geschoolde werknemers met specialistische kennis in principe aan zich willen binden.”

Een paar sectoren vormen daarop de uitzondering, zegt Verhulp. „De cultuursector bijvoorbeeld. En de journalistiek. Daarin is het aanbod van mensen te groot.”

Ook het Eurostat-onderzoek zelf bevat een nuancering. Als ijkpunt om te bepalen of iemand kleinverdiener is, gebruiken de statistici niet het Europees gemiddelde uurloon, maar het in dat land meest betaalde uurloon. En als het om uurlonen gaat, is een Nederlander doorgaans goed af.

Volgens het CBS kan uiteindelijk ‘slechts’ één op de acht Nederlandse huishoudens moeilijk rondkomen van het maandinkomen. Zet dat in een Europese ranglijst. Dan blijken alleen Luxemburg en de Scandinavische landen beter af.

    • Wouter Smilde