Het is nooit eerlijk

De gisteren gepubliceerde topsalarissen in de publieke sector roepen ergernis op. Moet je boos worden als ambtenaren veel verdienen, of kan het soms niet anders?

Foto: Peter de Krom

Economisch Commentator

Twee lijsten, twee gescheiden werelden. De Quote-500 met de rijkste Nederlanders viert jaarlijks de ‘vrije jongens’ in het vastgoed en het ‘oude’ familiegeld van ondernemingen als Heineken en C&A. De lijst met de meestverdieners in de (semi)publieke sector die minister Plasterk van Binnenlandse Zaken gisteren publiceerde, is de jaarlijkse opgave van de 2.651 mensen die in 2011 een beloning hadden die uitsteeg boven 193.000 euro. Van bestuurders van ziekenhuizen en woningcorporaties tot tv-presentatoren, van financiële toezichthouders als de AFM tot ontslagen gemeenteambtenaren.

De twee lijsten staan borg voor vergelijkbare emoties. Ergernis. Jaloezie. Teleurstelling. Of juist een aansporing om meer te bereiken.

De twee lijsten zijn voyeuristisch. Met opzet. De Quote-lijst wil dat de rijken gezien worden. De editie met de vijfhonderd allerrijksten wil verkocht worden en is alleen daarom al een voorbeeld van geslaagd ondernemerschap.

De lijst met (semi)publieke topinkomens had bij de invoering ervan een vergelijkbaar doel: als burgers en werknemers bij betrokken organisaties zouden zien hoeveel de baas verdiende, zou vanzelf discussie ontstaan. Omdat de bedragen ook in het jaarverslagen van organisaties zelf moesten worden opgenomen, was het ook een vorm van verantwoording van de baas aan de gemeenschap. Wordt dit geld wel terecht besteed? De openheid zou tot matiging leiden, hoopten politici.

Is dat gelukt?

Nee. De openheid staat elk jaar garant voor een baaierd aan emoties. Van woede. Maar ook van blijheid.

Drie redenen om boos te worden over de lijst met topsalarissen

1De mensen op die lijst verdienen óns geld. Hun beloningen zijn geld dat wij als belasting- of premiebetaler verplicht moeten afdragen. Dan mag het wel eens onsje minder. Want wat moet ik doen als ik het er niet mee eens ben? Als een topman in het bedrijfsleven naar mijn smaak te veel verdient, zoals de baas van Albert Heijn tien jaar geleden, dan zoek ik wel een andere winkel. In de zorg of bij corporaties heb ik niks te kiezen.

2Zíj verdienen wel veel, maar wíj krijgen geen waar voor ons geld. Kijk eens maar de misstanden. Kijk eens naar het wrakhout dat het debacle van woningcorporatie Vestia opleverde waar de best betaalde directeur in de sector, Erik Staal, werkte. Of de domme beslissingen die ziekenhuisbestuurders soms nemen. Of de bazen en toezichthouders van onderwijsgroep Amarantis die in zijn megalomanie bijna failliet ging.

3Dit zijn overweldigende bedragen, maar voor de verkeerde mensen. De professionals die het werk écht doen, zoals de thuiszorgvrouwen, de verpleegkundigen, de politieagenten en de vuilnismannen, worden afgeknepen.

Drie redenen om juist blij te worden van de lijst met topsalarissen

1Goede publieke voorzieningen gedijen alleen bij goeie managers. Ziekenhuizen zijn bijvoorbeeld knap complexe organisaties, waarin een heel divers gezelschap van specialisten tot verpleging dagelijks met leven en dood omgaat. Wie aan zoveel ego’s leiding kan geven en verschillende belangen met elkaar kan verenigen, verdient wel meer dan 193.000 euro. Natuurlijk, het is veel geld, maar per saldo is de totale topbeloning een portie kruimels van een grote taart.

2De lijst biedt talloze voorbeelden van overbetaalde managers, en dat is ook winst. Neem woningcorporaties. Dat zijn tamelijk simpele, eendimensionale organisaties, waar managers alleen maar zoveel verdienen omdat in het commerciële vastgoed zoveel wordt verdiend en er geen tegenkrachten zijn tegen excessen. Dat wordt nu zichtbaar gemaakt.

3We moeten in onze handen knijpen dat zoveel mensen in de publieke dienst willen werken gezien het feit dat in het bedrijfsleven zoveel meer geld te verdienen is. Soms moet je een vastgelopen of ontredderde publieke organisatie nieuw leven inblazen. Je bent zichtbaar, je staat jaarlijks op dit lijstje, dus iedereen weet wat er in jouw portemonnee zit.

Of je boos of blij wordt, zegt veel over wat je belangrijk vindt in het werkende leven. Staat een beloning alleen voor een prestatie, of zijn ook andere criteria belangrijk? Ervaring, omvang en complexiteit van organisaties bijvoorbeeld. Of onmeetbare krachten als talent, schaarste en onderhandelingsmacht.

Hoe realistisch is het om zo veel verschillende organisaties bij de overheid en de semipublieke sector over één kam te scheren? Als je vindt dat niemand meer mag verdienen dan de hoogste baas, in casu de minister-president, moet je dan niet de beloning van minister-president Mark Rutte verhogen? In Duitsland woedt nu voorafgaand aan de parlementsverkiezingen dit najaar een publieke discussie of de functie van Bondskanselier (nu minder dan 3 ton, minder dan de helft van een spaarbankdirecteur) niet beter gehonoreerd moet worden.

Dat was jaren geleden ook de discussie in Nederland (plus 50 procent, plus 30 procent?), maar geen enkel kabinet durft het aan om zijn eigen loon te verhogen. Politici zijn bang voor ‘zakkenvullers’ uitgemaakt te worden.

Wie hecht aan beloning naar prestatie, zal op de lijst met publieke topinkomens genoeg voorbeelden vinden van overmatige betaling. Wie de kwaliteit van publieke dienstverlening vooropstelt, zal pleiten voor soberheid en tegen riante gouden handdrukken. Maar ook beseffen dat er enige waarheid zit in de Amerikaanse dooddoener: when you pay peanuts, you get monkeys.